O, wat heerlijk om weer eens in een land te zijn waar de bakker, de kruidenier, de buschauffeur, de kranten, de winkelfaçades, de verkeersborden, waar alles en iedereen Frans spreekt. Het is niet alleen het weerzien met de bergen dat goed doet, niet alleen de hereniging met een streek die langer dan welke andere dan ook ‘thuis’ was – de taal bindt alles en geeft het decor een diepte die beelden alleen niet kunnen overdragen.

Beelden als: het berglandschap dat er met iedere paar stappen die je zet anders uitziet, de naaldbossen die na iedere sneeuwval nog even wit blijven en dan al snel hun donkergroen hervinden. En de vogels waarvan de ‘correcte’ naam in het Frans chocard à bec jaune is (Nederlands: alpenkauw), maar die algemeen choucas genoemd worden, kraaiachtigen met kleine gele snavels, die mijn hart deden opspringen in een schok van herinnering en herkenning. Prachtige vliegers die behendig zwenken als er geen thermiek is, en in grote groepen boven de rotsen zweven als de zon schijnt.

Al geruime tijd voor ons vertrek uit Penang had ik uitgekeken naar dingen waar men heel lang zonder kan leven omdat de wereld nog veel meer te bieden heeft maar die, wanneer ze binnen handbereik gaan komen, snel een belangrijke plaats in de dagelijkse gedachten kunnen gaan innemen. Het onovertroffen en onovertrefbare Franse brood, zacht en luchtig van binnen en met een knapperige korst. De vele worsten en hammen die in kleine rokerijen in de bergstreken bereid worden. De kazen, oh, de kazen…

Onderweg van Genève naar Châtel hadden we wat tijd tussen twee bussen in Thonon, wat een bezoek aan Boujon mogelijk maakte. Een bezoek aan Boujon, ook daar had ik al enige tijd naar uitgekeken.

Boujon is niet zomaar een kaaswinkel, Boujon is affineur: iemand die kazen opkoopt bij boeren en ze vervolgens in de eigen kelder naar eigen inzicht verder laat rijpen en ze pas te koop aanbiedt wanneer hij vindt dat ze er klaar voor zijn. Je zult er weinig kazen vinden die van verder dan een kilometer of tweehonderd komen: hier wordt gewerkt met streekproducten, met wat door een grondige kennis van de eigen bodem, de eigen dieren en het eigen klimaat tot een kunstvorm is verheven.

Net aangekomen op die bodem was dit een van mijn eerste gesprekken:

‘Goeiemiddag meneer, wat kan ik voor u doen?’

‘Goeiemiddag, heeft u ook Tomme des Bauges?’ In het verleden had ik deze wel bij ze gekocht, een stevig gerijpte bergkaas met een volle, doorleefde smaak. In Amsterdam had ik in een winkel een ‘Tomme du Pays’ zien liggen tussen de Cheddar en de Brie, bij Boujon kun je doorgaans kiezen uit minimaal een tiental soorten Tomme.

‘Die hebben we wel, maar hij is eigenlijk nog niet helemaal op smaak’.

‘Wat kunt u me aanraden?’

‘Deze Tomme de Courchevel bijvoorbeeld, die is precies goed om nu te eten’.

‘Doet u me die dan maar, en verder… ik weet eerlijk gezegd niet of dit de goede tijd van het jaar is voor de Abondance’. De Abondance-kaas komt uit hetzelfde dal waarin ook Châtel ligt. ‘s Zomers grazen de koeien op de Alpenweiden; de melk die in die tijd wordt verwerkt heeft allerlei bloemige accenten die ook in de kaas terug zijn te vinden.

‘Ja hoor, wat we nu hebben is Abondance d’alpage’.

‘Oké, doe maar, en dan… een geitenkaas, maar ik weet niet welke’.

‘Achter u staan ze, ik vrees dat we tijdens de feestdagen nogal geplunderd zijn’. Ik keek achter me en zag twee schappen met geitenkaasjes. Geplunderd, misschien, maar gebrek aan keus was er zeker niet. Het werd een Pouligny-nog-wat.

Geweldig. En laten we nou een paar dagen later op de markt in Châtel nog een Abondance gevonden hebben die anderhalf jaar in de kelder had liggen rijpen. Oeoeoeoeoe…..

Het is toch ondenkbaar om dit niet mee te maken, jezelf dit te ontzeggen? Een paar maanden genieten van wat  in deze bergen wordt geproduceerd en elders niet te krijgen is of hooguit slecht wordt nagemaakt. En daarna weer naar het Verre Oosten vertrekken om te hervinden wat alleen daar goed gedaan wordt. En dan ook daar weer bekende beelden terug te zien, begeleid door klanken die in de bergen van Europa niet gehoord worden.

Amsterdam, een paar weken geleden. Een tram waarvan de deuren net voor me dicht gingen kon nog niet gaan rijden omdat het licht nog niet op ‘gaan’ stond. Ik ging dus bij de voorste ingang staan met de verwachting te mogen instappen. De bestuurder keek niet op of om en reed de tram een meter vooruit. En kon nog steeds niet verder omdat het licht nog steeds op ‘nee hoor, nog niet’ stond. Ik liep dezelfde meter verder en stond weer bij de ingang. De bestuurder keek nog steeds strak voor zich uit. Ik mompelde een verwensing, draaide me om, en liep het complete traject dat ik met de tram had willen rijden.

Een paar dagen later troffen we een trambestuurderin die een dagtaak had met het geven van opdrachten aan de passagiers. Er waren mensen ingestapt via de middendeur, daar waar soms een kaartjesverkoper zit maar waar diens hok nu onbemand was, en ze waren bij die deur blijven staan. ‘Wok on in de trem’, galmde haar stem door de tram, maar de mensen aan wie dit gericht was begrepen het niet of wilden het niet begrijpen. Ze probeerde het in het Nederlands: ‘doorlopen, houdt u de ingang vrij’, en toen dat niet werkte, een paar keer: ‘kiep de entrens frie, d’r kom piepel in’. Ze zette de tram stil tussen twee haltes om zich op het omroepen te kunnen concentreren: ‘waarom doet u niet wat ik vraag? hee joe, joe dèr, wok on in de trem’, maar het resultaat bleef hardnekkig niet voldoen aan haar verwachtingen. Ik dacht aan de grote aantallen Italianen die we in de stad hadden horen rondlopen en van wie velen geen Engels spreken, laat staan steenkolenengels. Al horen buitenlanders natuurlijk te begrijpen wat je van ze wilt als je ‘wok on in de trem’ omroept. Het wachten is op een verplichte inburgeringscursus voor buitenlanders die een paar dagen in Nederland willen doorbrengen. Ik zweer het je, dat zit eraan te komen.

Den Haag, ook een paar weken geleden. Voor mij een zo goed als onbekende stad. Bekende onderdelen waaraan je meteen ziet dat je in Nederland bent, dat wel, maar die onderdelen bij elkaar gebracht op een manier die de na een lang verblijf in verre oorden teruggekeerde Nederlander in verwarring brengt. De straten komen me bekend voor, maar de weg ken ik niet. Hoe vertrouwd alles er ook uitziet, het is tegelijkertijd allemaal vreemd. Herkenning en ontheemding in één.

We stapten in een tram die ongeveer de goeie kant op ging. De bestuurder kon ons misschien vertellen hoe we het beste bij de Maleisische ambassade konden komen waar de handtekening die bij Buitenlandse Zaken op onze internationale trouwakte was gezet moest worden geverifieerd.

Ook hier vertrouwde elementen, terwijl toch alles anders was. Het was een tram, onmiskenbaar, zij het in andere kleuren dan het wit-blauw van Amsterdam. Er zaten passagiers in, gekleed op een winter die niet goed wilde winteren. Voorin zat, kaarsrecht, een grijze heer in grijs-blauw uniform. Hij dacht even na over de vraag die hem gesteld werd. ‘U kunt het beste over twee haltes uitstappen en om de hoek overstappen op een andere tram. Ik zal u laten zien hoe u moet lopen om daar te komen’. Ik bedankte de man, verrast door zoveel hulpvaardigheid. Zijn antwoord trof me met het volle gewicht van een voorbij gewaande tijd. Had ik het kunnen zien aankomen? Ik weet het nog steeds niet.

‘Tot uw dienst’, zei hij.

(Lang niets meer geplaatst, hè. Toch ergens weer beginnen – hier dus.)

‘Kunnen jullie even allemaal naar hiernaast gaan, want ik kan het zo niet meer overzien’, vroeg het meisje in een soort Engels. De grond lag bezaaid met huurski’s, stokken en schoenen die teruggebracht werden. De tieners en volwassenen die tot dan de kleine ruimte hadden gevuld werden door de alfa-vrouw in het Nederlands naar de iets grotere ruimte ernaast gedirigeerd.

Ik bleef in die grotere ruimte buiten de deur staan wachten op mijn beurt om de ski’s die ik een dag lang had uitgeprobeerd terug te brengen.

‘Ga daar maar staan’, zei de alfa-vrouw in het Nederlands tegen de rest, eraan toevoegend: ‘deze meneer heeft kennelijk haast’. Heel even vroeg ik me af over wie ze het kon hebben, maar het kon niemand anders zijn dan ik. De enige andere aanwezige was later binnengekomen en stond achter me te wachten op zijn beurt. Maar ik verstond geen Nederlands en werd niet aangesproken, dus ik bleef staan, op een plaats waar ik niet in de weg stond maar waar ik wel herkend zou worden als volgende in de rij. Na de Nederlandse groep uiteraard, want die werd nu geholpen.

Er klonken wat protestgeluiden op, en de alfa-vrouw zei nog eens hardop: ‘ja jongens, ik weet het, maar deze meneer heeft kennelijk héél veel haast’. Een stem ergens achter me opperde: ‘zal ik er zo gewoon vóór gaan staan?’, en dat voorstel vond algemene instemming. Er kwamen wat gedachten bij me op.

Terwijl de alfa-vrouw doorging met het aanwijzen van de spullen die in de kleine ruimte op de grond lagen wachtte ik op mijn beurt. Het Franse meisje dat alle huurspullen terugnam probeerde het te volgen: ‘dus dit zijn de schoenen van …?’ Ze sprak de namen niet altijd goed uit maar werd daarbij consequent gecorrigeerd. ‘Dus waar zijn nou de schoenen van …?’ ‘Die komen zo, hij is even de auto aan het wegzetten’. Er kwamen nog wat gedachten bij me op.

Het Franse meisje had gedaan wat ze voor hen kon doen, en besloot in afwachting van de skischoenen van de autowegzetter mijn ski’s in te nemen. Dat was in een mum van tijd gebeurd, en ik liep langs de groep die nog steeds stond te wachten op het laatste paar schoenen dat moest worden ingeleverd. ‘Ik wil voortaan alleen dure ski’s, en dure schoenen’, klonk het ergens.

Buiten vulde ik mijn longen met koude avondlucht. Het was intussen zachtjes begonnen te sneeuwen.

Wanneer ik in Maleisië de site van de in Engeland in ballingschap levende Maleisische blogger Raja Petra Kamarudin bezoek, staan er altijd advertenties in die hem minder geloofwaardig maken, minder serieus. Bijna altijd plaatjes van Aziatische schonen, die me meer dan welwillend aankijken en me vertellen dat ze zóóóó graag met me zouden kennismaken.

Datzelfde blog heeft, wanneer het wordt bezocht in Nederland, advertenties van een hele andere soort, maar ook hier zie ik elke dag dezelfde: een retourtje Amsterdam – Genève met KLM, staat er, zou al te koop zijn vanaf 99 Euro. Na een paar dagen valt het me op dat er nooit andere bestemmingen worden genoemd, het is altijd Genève.

Het doet me een beetje huiveren, want dit is een goeie demonstratie van hoe slim en hoe geniepig Google, ongetwijfeld verantwoordelijk voor de reclame op dat blog, die reclame aanpast aan de bezoeker – en misschien niet alleen aan de bezoeker. In Maleisië word ik online herkend als buitenlander door de instellingen van mijn computer, en kennelijk ook als man, gezien de pogingen me te verleiden. Heb ik ergens mijn voornaam ingevuld en is die onderschept en herkend als mannelijk? Of zou het de overheid zijn die de inhoud van de reclame beïnvloedt om zo de blogger, die gerust kan worden gezien als een luis in de overheidspels, zijn gelofwaardigheid te ontnemen?

Wat de KLM-retourtjes naar Genève betreft: een paar dagen geleden, vlak na aankomst in Nederland, hebben we gezocht naar manieren om begin januari naar de Franse Alpen te gaan, waar we van plan zijn de winter door te brengen. Dit zoeken naar vervoer is kennelijk Google niet ontgaan, al hebben we Google zelf daarbij niet gebruikt… Voordat de KLM-reclames over retourtjes Genève voor 99 Euro begonnen had een bezoek aan de KLM-website al uitgewezen dat een enkeltje Amsterdam – Genève in januari met de vaderlandse luchtvaartmaatschappij niet uitkwam op de helft van 99 Euro, maar op… 500 Euro! Onafhankelijk van de datum. Het zal wel goed gaan met het bedrijf, dat het zonder te blozen zulke prijzen kan vragen.

Zeggen dat ik geen voorstander van reclame ben is een understatement. Reclame voor alles wat met voeding te maken heeft zou bijvoorbeeld wat mij betreft wereldwijd verboden mogen worden. En waar het gaat om niet-eetbare produkten is een reclamespotje zelden bedoeld om informatie te geven – integendeel zelfs. Reclame zou ik buiten willen houden, zoals je de deur voor de neus van een huis-aan-huis-verkoper of een Jehova getuige dichtslaat.

Maar een wereld zonder reclame is niet denkbaar. Denk ik. Al leek me dertig jaar geleden een wereld zonder Soviet-Unie ook ondenkbaar. Wel zijn er stukjes wereld zonder reclame. In Zuidoost-Azië bestaat nog een traditie om iedere maaltijd te bereiden met verse ingrediënten. Nog wel. En op het internet bestaan nog initiatieven zoals Wikipedia, die rigoureus reclame-vrij gehouden worden en waar ik dus graag mijn jaarlijkse bijdrage aan lever.

Beetje jammer dan van die Maleisische blogger, die zijn lezers worsten voor de neus laat houden die ze moeten zien te negeren. Ach. Het is geen perfecte wereld.

(p.s. de titel van dit stuk is ontleend aan het boek ‘The hidden persuaders’ van Vance Packard, 1957)

Politiek gezien is Nederland een saai land. Waarden die het leven van de politicus aantrekkelijk zouden kunnen maken, zoals ‘zorgen voor je eigen kring’, ‘profijt trekken van je positie’ en ‘de ene hand wast de andere’ zijn er al generaties geleden verklaard tot ‘niet beschaafd’, en verbonden met ‘dat soort landen’. Volksdienaren hebben te maken met de Balkenende-norm en belangenverstrengelingen. De pers en het volk kijken mee over hun schouders om te zien of ze zich aan de regels houden, op eigen voordeel rust een taboe. Wat valt er dan voor iemand die een beetje creatief is in de politiek te halen?

Hoe anders werkt dit in Zuidoost-Azië! Zuidoost-Azië is niet saai. O nee.

In Zuidoost-Azië bestaan er zoveel manieren om van een overheidsbaan een hele lucratieve bezigheid te maken, zoveel manieren om de controle daarop te laten mislukken, zoveel manieren om door gemanipuleerde verkiezingen je daden een schijn van volkslegitimatie te geven, dat je je niet kunt voorstellen dat iemand met ambitie iets anders zou willen dan – volksvertegenwoordiger worden.

Niet iedereen is daar even handig in. Ook om een goeie dief te worden is talent, toewijding en geduld nodig.

In Thailand speelt op het ogenblik een zaak die gewoon heel knullig uit de hand is gelopen. De staatssecretaris van transport woonde de bruiloft van zijn dochter bij toen er in zijn huis werd ingebroken. Over de buit die bij die inbraak werd meegenomen bestaat geen zekerheid, maar de politie gaat er op basis van verklaringen van de meteen na de inbraak ingerekende ‘verdachten’ van uit dat er zakken en dozen vol met bankbiljetten ter waarde van meerdere miljoenen euro’s zijn verdwenen. Er zijn intussen verbanden gelegd tussen dat geld en de aanbesteding van wat infrastructuurprojecten waarbij die staatssecretaris betrokken was, maar de minister heeft naar eigen zeggen op het ministerie een onderzoek ingesteld en geen onregelmatigheden gevonden. Dus hou die staatssecretaris maar ondersteboven, kijk wat er verder nog uit zijn zakken valt, maar verder is er echt geen onderzoek nodig, hoor. Eén rotte appel, maar de mand is gezond.

In Maleisië, tegelijkertijd, iets op soortgelijke schaal. Wel iets brutaler. Een paar jaar geleden werd besloten dat het land minder afhankelijk moest worden van de import van buitenlands rundvlees. Hoe kon dat bereikt worden? Door met staatssteun een bedrijf op te zetten (natuurlijk onder leiding van Maleiërs) dat runderen zou importeren uit Australië, die dieren zou vetmesten en ze daarna zou slachten. De daarmee verbonden contracten werden toegekend aan het gezin van de minister van vrouwen- en gezinszaken. Haar echtgenoot en haar drie kinderen vormden vanaf het begin de top van het bedrijf, dat tot op heden de beoogde doelen op geen stukken na heeft gehaald en alleen maar verlies draait. Geen wonder: echtgenoot en kinderen hadden geen enkele ervaring in het werk dat ze aannamen.

Wat op een gegeven moment ging opvallen: van de miljoenen subsidie die het bedrijf kreeg verdween een groot deel naar doelen waarvan niet onmiddellijk duidelijk was hoe de bedrijfsvoering daar profijt van kon hebben: woningen, een Mercedes, reizen voor privé-doeleinden. Maar de regering sloot meteen de rijen om de verdachte minister, die zelf vanaf dat moment geen uitspraken meer deed, behalve: laten we vooral niet toegeven aan hysterie. Intussen wordt geroepen dat ze uit eigen beweging moet terugtreden. Begrijpelijk, want haar positie wordt onhoudbaar, maar als ze door haar eigen partij wordt gedwongen af te treden zou ze zo maar allerlei collega’s mee kunnen slepen in haar val, en dat brengt alleen maar onrust met zich mee, dat wil natuurlijk niemand.

Het is eigenlijk al een klein wonder dat zoiets aan het daglicht komt. De media zijn in handen van de overheid en berichten alleen dat er van de vermeende malversaties niets waar is, daarbij de betrokkenen zelf citerend. Ook andere controle-instanties, tot en met de rechterlijke macht, zijn sterk afhankelijk van de overheid voor hun voortbestaan en gaan dat voortbestaan dus echt niet in de waagschaal leggen. De parlementaire oppositie kan alleen roepen dat ze iets ontdekt hebben wat het daglicht niet kan velen, maar een parlementaire minderheid heeft geen tanden. De enige manier waarop dit aan gewicht kan winnen is via het internet.

En dat biedt hoop. Anders dan in de omringende landen wordt in Maleisië het internet niet of nauwelijks gecensureerd.  Sites die openlijk kritiek leveren op de regering blijven in de lucht. In de papieren kranten wordt nog steeds geschreven wat de regering wil laten horen, maar de kranten worden al nauwelijks meer serieus genomen. Wie wil weten wat er gebeurt volgt blogs van kritische, vaak in het buitenland wonende, Maleisiërs.

En zo komen we op het volgende verhaal. Het voorgaande was nog prutswerk, maar wat nu volgt is een voorbeeld van naar een hoog niveau gebrachte graaikunde. Iedereen met serieuze kleptocratische ambities zou dit geval tot verplicht studiemateriaal moeten maken.

Clare Rewcastle-Brown, geboren en getogen in Sarawak, is vanuit London al jaren in het geweer tegen de vernietiging van het oerwoud in haar geboorteland. Zij heeft onderzoek gedaan en is ongeveer gelijktijdig tot dezelfde conclusies gekomen als de Zwitserse niet-gouvernementale organisatie het Bruno Manser Fonds:

Het hoofd van de regering in de Maleisische deelstaat Sarawak, die al dertig jaar de regering leidt en al dertig jaar tevens de minister van financiën van de staat is, en de minister van grondstoffen – stel je dat voor… dat is toch een fantastische uitgangspositie voor iemand met ambitie?

… nou die dus, die heeft in die dertig jaar de opbrengst van houtkap, palmolieplantages, oliewinning, vastgoed en een cementmonopolie verdeeld in internationale investeringen waarin hijzelf en zijn naaste familieleden bij elkaar goed zijn voor enkele miljarden euro’s.

Ik zeg wel: stel je dat voor, maar het is eigenlijk onvoorstelbaar. Alle mogelijke controlemechanismen hebben al dertig jaar gefaald. De pers heeft niets te zeggen. Een wet van openbaarheid van bestuur bestaat niet. Verkiezingen brengen altijd weer dezelfde mensen aan de macht. De federale overheid kan het echt niet hebben dat de sinds de onafhankelijkheid durende alleenheerschappij, waarbij Sarawak als grote staat een belangrijke plaats inneemt, op losse schroeven komt te staan, en staat dus achter de man die ‘too big to fail’ is geworden. Als Sarawak valt is het einde zoek.

Dat Zwitserse Bruno Manser Fonds is vernoemd naar een Zwitserse antropoloog die opkwam voor de Penan, een nomadisch volk dat door het verdwijnende oerwoud in zijn bestaan werd bedreigd. Elf jaar geleden verdween hij spoorloos in het oerwoud dat hij had willen helpen behouden. Het Fonds heeft de resultaten van eigen onderzoek o.a. aanhangig gemaakt bij de Zwitserse financiële toezichtsorganisatie Finma, dat daarop een eigen onderzoek is begonnen naar de financiën van de baas van Sarawak. Je kunt een Zwitser niet zomaar ongestraft laten verdwijnen. Dat kleine detail wordt misschien nog wel de nagel aan de doodskist van iemand die toch dertig jaar lang zijn talenten heeft kunnen ontplooien. Dertig jaar!

Ook daarom is Zuidoost-Azië een fascinerend deel van de wereld.

Het dorp van de bajau ligt deels tussen de resorts waar van heinde en verre (vooral van verre) mensen komen om te duiken. Klik op de foto om hem groter te zien.

Deel van de foto hierboven

Ik kan er niet goed hoogte van krijgen. We zien mensen waarvan we weten dat hun ouders uit de Filippijnen deze kant op zijn komen drijven en die wonen op plaatsen waarvan we weten dat ze er zo uit gegooid kunnen worden omdat ze domweg illegaal zijn. Maar ze worden wel getolereerd, en ze blijven er wonen, zij het in hutjes die in twee dagen worden gebouwd met ‘les moyens du bord’ (palen die in het zand geslagen worden, planken die worden hergebruikt of nieuw gehouwen en die als bodem dienen, palmtakken die, wanneer over elkaar gelegd, enige beschutting bieden tegen de soms heftige regen) en die ongetwijfeld niet lang meegaan. Komt er een goeie storm, ligt alles plat. Begin je opnieuw te bouwen, twee dagen lang, heb je weer een huis. Sommigen wonen op boten die vlak voor het strand liggen en waarop het wemelt van de naakte kinderen die, om zich te ontlasten, op de rand van de boot hurken en de zwaartekracht zijn werk laten doen.

Dit is een stukje Filippijnen, een vooruitgeschoven stuk van het land dat tot voor tamelijk kort een aanspraak liet gelden op het oostelijk deel van Sabah maar door het internationaal gerechtshof in het ongelijk werd gesteld. Neemt niet weg dat het dichtstbijzijnde Filippijnse eiland net achter de horizon ligt en dat er in dit deel van Maleisië vreselijk veel Filippino’s zijn, al zijn ze van het drijvende soort en hebben ze – natuurlijk, hoe kom je op het idee – geen paspoort. Ze gaan niet naar school, ze hebben er geen recht op. Ze hebben er geen behoefte aan. Moeten ze je op school leren hoe je vissen moet vangen?

Tot zover lijkt het nog redelijk overzichtelijk. Maar dan blijkt dat er in het bajaudorp ook mensen wonen die recent uit de Filippijnen zijn overgekomen, die goed Engels spreken en die werk hebben gevonden in de duikresorts. Er wonen wat westerlingen, die op het eiland zijn komen werken als duikgids en een huurhut hebben gevonden. En verderop gaat het dorp er welvarender uitzien, zijn er winkeltjes, huizen die duidelijk steviger gebouwd zijn, sportvelden, en dan duidelijke tekenen dat er ook Maleiërs wonen in hetzelfde dorp: vrouwelijke hoofden getooid met een kleurrijke hoofddoek, mannelijke hoofden waarop de kopiah prijkt, een moskee. En natuurlijk de zichtbaar grotere rijkdom, dankzij de regering in Kuala Lumpur. Hoewel, nee, rijkdom niet. Eerder gebrek aan zorgen. Houten woningen die niet al beginnen om te vallen wanneer ze klaar zijn, kleding, elke dag eten, dat soort dingen.

Het kan gebeuren dat we lunchen op een verderop gelegen eiland en dat er kano’s langskomen met van die donkere, tanige lijven erin, die dan stoppen. Een gebaar van: eten, hebben jullie eten? En natuurlijk hebben we dat, en vertrekken ze met eten.

Ik begrijp het niet zo goed. Er zijn er die het duidelijk goed doen, en er zijn er die thuis lijken te horen in een andere wereld.

Misschien leren we het ooit nog wel eens begrijpen.

Ze hoefden niet eens gevraagd te worden - ze vroegen me een foto te nemen.

Als je fietstocht onbedoeld eerder is beëindigd dan je bedoeld had (mooi begin, hè) is duiken altijd een goed alternatief. En wie duiken in Maleisië zegt, denkt aan Mabul en Sipadan. Sipadan werd beroemd nadat de onsterfelijke Jacques Cousteau had gezegd dat het één van de mooiste duikplekken in de wereld is. Dat was een poosje geleden, en hij heeft soortgelijke uitspraken over wel meer plaatsen gedaan, maar het wordt altijd blij aangehaald in reisbeschrijvingen en mag dus ook hier niet ontbreken.

Vier jaar geleden waren we hier voor het eerst, en we wisten in die tijd niet beter of je moest op Sipadan zijn. Het eiland ligt aan de rand van ‘het diepe’ en trekt grote scholen grote vissen aan die voor spectaculaire beelden zorgen. Duikers komen van heinde en verre om dit te zien en reserveren er maanden van tevoren voor.

Daarbij vergeleken was Mabul een ‘backwater’, waar wezens te zien waren die geen moeite deden op te vallen of zelfs maar te bewegen. Zoals iedereen die duikt deden we er een poosje over om dat te gaan waarderen, maar nu staat Mabul, en vooral het in de buurt liggende eiland Siamil, hoger op ons lijstje dan Sipadan.

En dat van, eh, maanden van tevoren reserveren, dat past natuurlijk helemaal niet in onze manier van reizen. We belden op naar Scuba Junkie: hebben jullie vanaf overmorgen plek? Ja, ze konden ons wel voor een paar dagen hebben. Intussen breien we via annuleringen een langer verblijf aan elkaar, het lijkt erop dat we ruim twee weken gaan blijven.

De eerste week daarvan is trouwens al verstreken, en als getuige daarvan hierbij een paar van Charlotte’s foto’s:

Sipadan: een school big-eye trevallies. Voorbeeldige school, alle neuzen dezelfde kant op.

Sipadan: een white-tip rifhaai rust op de bodem, met de neus in de stroming

Mabul: grote frogfish. Schitterende beesten.

Mabul: leaf scorpionfish

Mabul: clownvisjes blijven het op foto's altijd goed doen.

 

Siamil: een jonge false stonefish. Dit kereltje van een centimeter of acht hadden we niet eens gezien, maar doordat we iets te dicht bij hem in het zand aan het poken waren maakte hij opeens een bruuske beweging, spreidde zijn vinnen als waarschuwing en ging ons vals aan zitten kijken. Ja, dan kom je op de foto.

Het offerfeest is weer voorbij en het enige wat we ervan gemerkt hebben is dat het wat moeite kostte om plaatsen te vinden in een bus (uiteindelijk vertrokken we een dag later dan gepland uit Kuantan, maar wel rechtstreeks naar Butterworth, met de fietsen onderin de bus) en dat we mensen blij zagen rondlopen in wat deed denken aan goudkleurige pyjama’s, een duidelijk teken dat Maleisische moslims iets te vieren hebben. O, en natuurlijk de kranten, die er vol over stonden.

Even voor de zekerheid: het feest gaat over dat verhaal dat bekend is bij christenen, joden en moslims, over Abraham / Ibrahim die van hogerhand opdracht krijgt zijn zoon te offeren, en net als hij op het punt staat dat te doen, zegt God tegen hem: ach weet je wat, een schaap of zo, dat is ook wel goed. Het is een curieus verhaal waarin de Baas van Alles wordt neergezet als een buitengewoon cynisch Opperwezen, een verhaal dat, als het zich in het heden zou afspelen, ongetwijfeld gezien zou worden als een PR-nachtmerrie.

In de islam wordt dat gevierd. Met offers, heel toepasselijk. Hoewel er eigenlijk niet echt geofferd wordt, er wordt geslacht en uitgedeeld. Koeien en schapen vieren geen feest, die zijn in zeer letterlijke zin het slachtoffer, maar ja, waar geslacht wordt…

In Nederland is de discussie gaande over het onverdoofd slachten, dat is bekend, en in de kranten las ik de door Ibrahim Wijbenga uitgesproken vrees dat moslims zich straks minder Nederlander voelen als ze hun onverdoofd geslachte offerdier in het buitenland moeten halen. Dat is een belangrijk argument, dat zal wel inslaan. Je hoeft maar te zeggen ‘ik heb er niet zo’n goed gevoel bij’, en iedereen zal hemel en aarde bewegen om te bereiken dat je je beter gaat voelen.

Ook in Maleisië was er een discussie in verband met de rituele slachting voor het offerfeest, zij het dat die op een iets ander vlak gevoerd werd. Een overkoepelend orgaan van niet-islamitische godsdiensten dat luistert naar de onuitspreekbare naam MCCBCHST (de afkorting staat voor Malaysian Consultative Council for Buddhism, Christianity, Hinduism, Sikhism and Taoism) had zich hardop afgevraagd of het nou echt nodig was de rituele slachtingen (met name van koeien) te laten plaatsvinden op schoolpleinen. Want op openbare scholen zitten ook boeddhistische kinderen en hindoeïstische kinderen en zo, kortom kinderen die worden opgevoed met ideeën als: levende wezens hoor je niet dood te maken, of: koeien zijn heilig. Is het niet wat ongevoelig, zei de MCCBCHST, om die kinderen bloot te stellen aan van die bloedige keelddoorsnijdingen?

Het antwoord uit Maleise hoek luidde: bemoei je alsjeblieft niet met onze religieuze aangelegenheden. Wij zeggen er toch ook niets van als jullie kaarsjes aansteken of met draken op straat rondlopen? Hm, touché. Zo’n onweerlegbaar argument hadden ze vast niet verwacht. Voor zover ik weet heeft de commissie niet daarna nog geprobeerd te pruttelen van: ja maar, we vroegen alleen maar of het niet ergens ánders gedaan kan worden… Einde discussie.

Het is een illustratie van het soort vraagstukken waar Maleisië aan de lopende band mee te maken krijgt en de onmogelijheid ze op de spits te drijven. Aziaten zijn in het algemeen al niet geneigd de confrontatie op te zoeken, maar Maleisië is een schoolvoorbeeld van een land dat kan bestaan omdat alles op alles gezet wordt om confrontatie uit de weg te gaan.

Het zou trouwens een vergissing zijn bovenstaande te zien als een religieuze kwestie. Godsdienst speelt een rol, maar is maar een deel van wat eigenlijk culturele tegenstellingen zijn. Sulawesi ligt vers in ons geheugen: het waren christenen die ik in het noordoosten van het eiland honden zag doodknuppelen om ze als vlees te verkopen, en in Tana Toraja maken de massale slachtingen van buffels en varkens deel uit van een cultuur die met geen van de grote godsdiensten te maken heeft.

Hoe langer we in Zuidoost-Azië doorbrengen, hoe meer het tot ons doordringt wat een enorme lappendeken van culturen het gebied als geheel en ieder land als onderdeel is. En hoe belangrijk het is confrontaties uit de weg te gaan. Zonder die houding zou dit deel van de wereld er heel anders uitzien. De dieren trekken daarbij aan het kortste eind, en zullen nog lange tijd de rol van slachtoffer blijven vervullen.

Even heel iets anders. Onderstaande is mijn vertaling van een artikel van Luz Sánchez-Mellado dat afgelopen zaterdag in de Spaanse krant El País verscheen en ook online te lezen was. Luz (wordt ongeveer uitgesproken als Loes, en betekent Licht) is journaliste en columniste. Ze schrijft regelmatig voor El País. Haar woorden dus, in mijn vertaling. Overigens sta ik open voor elke suggestie voor verbetering van de vertaling!

Máxima is groots

Je moet van goede huize komen om Máxima der Nederlanden te heten, de godganse dag de adem van Hare Majesteit je schoonmoeder in je nek te voelen en toch altijd op foto’s te verschijnen met een stralende lach en van top tot teen gekleed in outfits waar je van achterover slaat. Alsof je de tijd van je leven hebt als kroonprinses bij de anderlanders op duizenden kilometers van je eigen volk, alsof je een geweldige slag hebt geslagen. Het zal wel zijn omdat ze uit Argentinië komt, uit Buenos Aires dus, maar Máxima heeft er ruimschoots het zelfvertrouwen, de uitstraling en de stijl voor. En, dat moet gezegd worden, een paar kilootjes die er de laatste tijd zijn bij gekomen en die er maar niet vanaf willen. Ze is in mei 40 geworden en het parlement heeft de uitkeringen die zij en haar echtgenoot Prins Willem [-Alexander] ontvangen met 4% gekort, maar aan Máxima is geen midlife crisis of recessie af te zien. Die meid zit goed in het vlees, en ik vind het schitterend.

Ik behoor tot degenen die menen dat de monarchie niet meer van deze tijd is, maar aangezien we nog steeds royaal in de vorsten zitten kunnen ze maar beter ergens goed voor zijn. Op Máxima kun je bouwen, al raakte ze afgelopen zomer ook verwikkeld in een belastingaffaire rond de bouw van één of ander huis in Mozambique. Zou ze sindsdien zo vaak in het openbaar verschenen zijn om haar imago op te vijzelen? De vrouw met de uitstraling. De vrouw van de outfits. Je hoeft maar te zien hoe ze zich uit de naad werkte tijdens haar officiële bezoek aan de Antillen. Ik telde maar liefst vijf hoeden van verschillende ontwerpen en in kleuren die uiteenliepen van helderrood tot donkerbruin, om nog maar te zwijgen over een soort pluimentooi zoals Norma Duval die droeg in de Folies Bergère. Hier wordt munt geslagen, en laat Sarah Jessica [Parker] dat maar eens komen ontkennen. Máxima weet wat ze te koop heeft, ze was niet voor niets een financiëel talent totdat de Orange Kid langskwam en haar aan de markt onttrok.

Na tien jaar huwelijk is Willem nog steeds gek op haar, je hoeft maar te zien hoe hij naar haar kijkt. Als je het mij vraagt hebben die twee het werkelijk goed samen en doen ze niet als alsof, zoals zoveel anderen. Ze scheppen er plezier in het er dik op te leggen en over te komen als een lachend, stralend, blozend stel. Hij is een tikkeltje te gezet, maar zij is groots. Mannen houden van haar omdat ze van alles heeft, en van alles genoeg. Vrouwen houden van haar omdat we haar zien als één van ons, een vrouw met de armen van een waardin, de heupen van iemand die drie kinderen gebaard heeft en dat beetje onderkin dat we te zien krijgen wanneer haar schoonmoeder de koningin niet in de buurt is.

Of Beatrix nou afstand neemt van de troon of niet, Máxima is de parel onder de prinsessen van Europa. Vergeleken bij haar zien we de zeer koninklijke hoogheden Matilde, Victoria, Mette-Marit, Mary en Letizia met smoelen alsof ze proberen een aanval af te slaan, hetzij van zenuwen, hetzij van constipatie. En dat terwijl Máxima al helemaal verkeerd begon als meisje van volkse afkomst, een buitenlandse en dochter van een minister van Videla. Maar in plaats van zich gedeisd te houden stak ze haar borst naar voren, en nu is ze het meest populaire lid van de familie. Zij, en niemand anders, lachte om een op sensatie belust publiek jaren voordat de orthodontist van Kate en Pippa het gebit van de zusjes Middleton had rechtgezet.

Lach er maar om, maar er is nog steeds niemand anders die van die hoeden als uit de paella-pan-reclame van Fairy kan dragen. Ik weet niet hoe het komt dat Rita Barberá [de burgemeester van Valencia] haar niet benoemt tot ‘opper-ere-fallera’ en haar uitnodigt op het balkon van het gemeentehuis van Valencia om de eeuwige mascletà [zie onze beschrijvingen van maart 2010, kijk bij de bijdragen van 17 t/m 20 maart] aan te steken. Ik ben misschien een rotje, maar wat Máxima doet is een hele rits vuurwerk.

Tot zover Luz Sánchez-Mellado.

Vlak vóór ons vliegt een ijsvogel de weg over. Er zit iets groots in zijn snavel, hij laat het vallen, het komt op de weg terecht en begint meteen als een kip zonder kop in allerlei richtingen te huppen. Een kikker.

We zien een auto aankomen. We manen de kikker tot gerichte actie: van de weg af, snel, snel! Hij hupt even de goeie kant op, blijft dan zitten. Kapok! klinkt het. Waar net nog een kikker hupte zit nu een vlek op de weg. De ijsvogel duikt erop, plukt hem van het asfalt en verdwijnt ermee in het decor.

- – -

Na het vorige verslag volgden we hoofdzakelijk de hoofdweg langs de kust, omdat dat de enige weg was die ongeveer de goeie kant op ging. Het werd drukker. Het werd veel drukker. Ik begon me af te vragen hoe het zit met wat we overal lezen: dat de oostkust van Maleisië rustiger is dan de westkust.

In de buurt van Kerteh gaf de petrochemische industrie een apocalyptisch tintje aan wat toch al niet erg vrolijk was: zwarte rook uit lage pijpen vermengde zich met de bewolking, terwijl hogere pijpen opgingen in diezelfde bewolking en hier en daar gassen die werden afgefakkeld alleen maar bijdroegen aan de onheilspellende sfeer.

Een bus raasde vlak langs me. Een auto die ons voorbijreed besloot vlak daarna in te halen aan de verkeerde kant (dus over de vluchtstrook waarover wij fietsten), ging aan het schuiven in een plas water en herstelde zich net op tijd om door te rijden alsof het allemaal zo hoorde. Vlak daarna zagen we opnieuw een auto voor ons inhalen via de vluchtstrook. Het regende, en het voorbijrazende verkeer met zijn constante dreiging, herrie en uitlaatgassen begon ernstig op onze zenuwen te werken. Ik bedacht dat er alleen nog een near-miss voor nodig zou zijn om de fiets in de greppel te gooien en weg te lopen.

Dit kon zo niet doorgaan.

Cherating was een oase, en Tanjung Inn, waar we sliepen, een voorbeeldig park met een enorme vijver waaromheen wat huisjes waren geplaatst – en dat aan een strand waar surfers komen oefenen in een point break van internationale faam.

Maar op weg naar Kuantan moesten we ons opnieuw afvragen: is dit waarvoor we fietsen? Het antwoord lag al in de vraag besloten.

En tegen de tijd dat we kleinere, rustiger weggetjes volgden van Kuantan naar Pekan, was het besluit al genomen: wanneer de kustweg je niet bevalt, zo hadden we geleerd op Sicilië, ga dan het binnenland in. Vanaf Pekan zouden we verder gaan over wegen zonder vrachtverkeer. Eerst naar het Chini-meer, en van daaruit naar het zuidwesten, ongeveer richting Melaka.

Tja.

Het is waar dat er minder vrachtverkeer is op kleinere wegen. Minder verkeer, punt. En veel auto’s rijden zoals je mag verwachten van plattelanders: rustig, voorzichtig. De zwakkere verkeersdeelnemer wordt ontzien. Wij werden ontzien. Niet door iedereen, er zaten heethoofden tussen die juist harder gingen rijden omdat het kon. Amateur-coureurs met opgevoerde Protons, afijn.

We hadden na Pekan een kilometer of dertig landinwaarts gereden toen ik een gierend geluid achter me hoorde. Voor het eerst sinds we fietsen was ik naar muziek aan het luisteren, dus ik kon niet goed horen wat er gebeurde. Ik keek om en zag Charlotte in de berm stilstaan, een auto scheef over de weg vlak achter haar. De auto reed verder, de (jonge) bestuurder grijnsde naar me en stak een hand op. Ik draaide om en reed terug om te zien wat er gebeurd was.

Charlotte stond te trillen in de berm. Vlak achter haar stond een fors remspoor op de weg.

Kennelijk was de jonge automobilist die net nog zijn hand naar me had opgestoken Charlotte met hoge snelheid van achteren genaderd en had hij op het allerlaatste moment ingezien dat haar inhalen niet veilig was, gezien het busje dat in tegengestelde richting passeerde. Hij was vol op de remmen gaan staan en had haar net niet geraakt. En had zich uit de voeten gemaakt. Het busje dat in tegengestelde richting was langgekomen bleek een ambulance te zijn. Die draaide om, om te kijken of alles goed was afgelopen. Charlotte stond te trillen, maar was er zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Ze was, zodra ze het gerem achter zich hoorde, de berm in gedoken.

Hoeveel waarschuwingen heb je nodig?

Met parapente ben ik – na twaalf jaar op redelijk niveau door de Franse Alpen te hebben gevlogen – opgehouden nadat ik zelf verschillende ongelukken had gehad, anderen om me heen uit de lucht had zien vallen en zelfs vrienden verloren had aan een sport waarvan ik altijd had gedacht dat je zelf kon bepalen hoeveel risico je wilde lopen. Op het eind kon het gebeuren dat ik ging vliegen en na een uur vond dat de eer gered was, dat ik lang genoeg in de lucht gebleven was om te doen alsof ik het naar mijn zin had gehad, en dat ik kon gaan landen. Dat had geen zin. Het was wachten op de klap.

En met fietsen in Maleisië was het net zo geworden. Om op de openbare weg te kunnen fietsen heb je een minimum van vertrouwen nodig in het gedrag van je medeweggebruikers, en met name de mensen die je niet ziet, de mensen die van achteren komen. Als dat vertrouwen er niet meer is wordt fietsen alleen nog: wachten op de klap.

Charlotte is nogal geschrokken, maar heeft zich ervan hersteld. Ze vraagt zich af of de beslissing die we na dit voorval namen, die ik vooral nam: ophouden, naar huis, niet meer fietsen in Maleisië, of die beslissing dus niet wat overhaast is genomen. Er zijn immers veel mensen die fietsen door Maleisië en die er enthousiast over zijn?

Maar je mening wordt gekleurd door wat je zelf meemaakt. En nadat ik al eens in Turkije van de weg ben gereden is er niet zo heel veel nodig om te zeggen: wij fietsers zijn hier de vreemde eend in de bijt, de zwakkere verkeersdeelnemer, de kikker die zo in het asfalt gedrukt kan worden.

Waar het om gaat is hoe we dit beleven, en ik beleef dit nu zodanig dat verder fietsen alleen nog maar kan betekenen: wachten op de klap. Zo kun je niet doorgaan.

We zijn omgekeerd en naar Pekan teruggefietst, hebben daar vervoer geregeld naar Kuantan. Morgen hopen we met de bus naar Kuala Lumpur te kunnen gaan, en van daar naar Penang.

En de komende weken zullen we moeten zien of dit besluit om niet meer te fietsen in Maleisië voorbarig is geweest of niet.

Nee. Ik weet het al. Wachten op de klap? Zo kun je niet doorgaan.

Volgende pagina »

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.