De kanttekeningen die het Spaanse dagblad El País plaatst bij een gisteren in de open lucht gehouden mis in Madrid zijn moeilijk te missen. Zo telde de krant 56.000 aanwezigen, terwijl de kerk het hield op enkele honderdduizenden, en wordt deze telling afgezet tegen de mis van twee jaar geleden, toen El País uitkwam op honderdvijftigduizend en de kerk een schatting gaf van twee miljoen. Ook de weergave van de inhoud van de mis laat zien dat de krant zich moeite moet getroosten om deze serieus te nemen.

De Madrileense aartsbisschop, Antonio María Rouco Varela, had gelovigen opgeroepen de mis bij te wonen ter viering van de dag van de Heilige Familie, die volgens de rooms-katholieke kerk valt op de zondag in de periode tussen kerst en oud en nieuw. Zij die daaraan gehoor gaven kregen een verhaal te horen dat bekend is en verwacht werd: het gaat slecht met de wereld, het gezin moet de hoeksteen van de samenleving blijven, niemand heeft het recht een ongeboren leven te beëindigen (een nieuwe wet die een aanzienlijke verruiming van de mogelijkheden voor abortus inhoudt is net door de Tweede Kamer aangenomen en doorgestuurd naar de Eerste Kamer), sex is bedoeld voor binnen het huwelijk en alleen voor het creëren van nieuw leven, en ‘als jullie er niet waren zou Europa binnenkort kinderloos zijn’.

Dat laatste, dat vond ik toch wel een beetje verbazend. Aan de rest zijn we gewend, maar ‘dankzij de Spaanse katholieken worden er nog kinderen geboren in Europa’? Dat is een beetje sterk.

Valencia, paar dagen geleden

Een paar weken geleden was op de website van dezelfde krant te lezen dat het Spaanse geboortecijfer één van de laagste van Europa is en werd uitgelegd hoe dat komt. Het is voor vrouwen moeilijk genoeg een studie af te ronden en daarna een carrière op te bouwen. Willen ze dan ook nog kinderen, dan krijgen ze te maken met allerlei hindernissen waarvoor in andere landen allang oplossingen zijn gevonden: geen opvang, weinig mogelijkheden voor ouderschapsverlof, geen flexibiliteit in de tewerkstelling, geen mogelijkheden voor herintreding en een mentaliteit bij het mannelijk deel van de bevolking die geen hoop biedt dat deze hindernissen snel weggenomen zullen worden.

Inderdaad heb ik zeker vijftien jaar geleden al eens gelezen dat het Spaanse geboortecijfer destijds één van de laagste van Europa was, om precies dezelfde redenen. In die tijd is dus al weinig veranderd. Het is ook verhelderend de commentaren te lezen die lezers achterlaten op websites van kranten, bij artikelen over maatschappelijke kwesties. ‘Vrouwen moeten niet zeuren, maar baren’, ‘de plaats van de vrouw is thuis’, ‘als een vrouw besluit kinderen te nemen èn te werken, dan doet ze dat toch zelf?’, het zijn bekende geluiden die laten zien dat tegenwerpingen als ‘het wordt tijd dat kinderen worden gezien als een gedeelde verantwoordelijkheid’ nog niet iedereen overtuigen.

Ook het proces dat het nieuwe ontwerp voor de abortuswet doorloopt maakt duidelijk dat gevestigde mentaliteiten zich maar moeizaam aanpassen aan maatschappelijke veranderingen. De door de socialisten voorgestelde wet kwam dankzij de steun van kleine partijen met een kleine meerderheid door de Tweede Kamer, terwijl van de grote conservatieve oppositie iedereen tegen stemde en daarmee eens te meer liet zien hoezeer aan weerszijden van grote vraagstukken de hakken in het zand worden gezet.

Bij een matineevoorstelling van De Notenkraker, gisteren in Valencia, viel het me op hoeveel kinderen er met hun ouders, grootouders, ooms en tantes waren meegekomen. Keurig aangekleed, met gekamde haren en bijna zonder uitzondering twee uur lang voorbeeldig stil. Misschien is het allemaal maar onruststokerij wat je hoort. Het gezin bestaat nog, kinderen worden geboren, hier zaten ze, ik zag het zelf. Het komt wel goed met Europa.

Het is zeventien graden, maar de vrouwen die met hun mannen, kinderen en ouders vandaag de kerstmis gaan bijwonen dragen vanzelfsprekend hun bontjassen. En net als hun mannen geuren ze heftig. Vandaar: ik had me al afgevraagd hoe het kon dat negen van de tien tv-reclames de afgelopen tijd gingen over gebottelde dames- en herengeuren, en Charlotte had al gezegd: dat zal wel het geijkte kerstkado zijn. En nu de tijd voor het kopen van dat geijkte kerstkado voorbij is, gaat de reclame ineens weer over mobiele telefoons en allerlei griepmedicijnen.

De reden om er toch naar te kijken: het is in het Spaans. Onze lessen beginnen in januari, en alles wat nu al gedaan kan worden is meegenomen. Kranten, tv, internet, woordenboeken, en natuurlijk: eropuit, praten, proberen dingen te zeggen en dan later uitzoeken hoe je het had moeten zeggen. Dit is geweldig.

Ook iets om heel enthousiast over te worden: vandaag op tv, Jacques Perrin’s onbeschrijflijk mooie ‘Le peuple migrateur’. Je weet wel, natuurfilm met o.a. opnames van trekvogels die tijdens de trek van dichtbij zijn gefilmd. Maar nog veel meer. Van Perrin zagen we in Futuroscope een film die over twee enorme schermen was verdeeld: één voor en boven ons, één voor en onder ons. Prachtig.
Spaanse tv is, na de Franse met zijn reportages, documentaires en discussieprogramma’s, van een deprimerende eenvoud. Totdat zoiets als ‘Le peuple migrateur’ wordt vertoond. Maar ja, het is dan ook kerstmis.

Tijdens een demonstratie volksdansen

Goeie dag weer, vandaag. Zondag, de oude binnenstad in, iedereen op zijn paasbest aangekleed, wij staken een beetje af met onze operationele kleding, nou goed. Schitterende zon, al wilde de temperatuur niet echt ver boven de nul komen. Langzaam dringt het door dat ieder land in Europa intussen te maken heeft met dezelfde kou, maar dat voor ieder land de berichtgeving, en dus het koude weer, ophoudt bij de grens. Soit. Overmorgen wordt in Valencia weer achttien graden verwacht. Ha.

Maar vandaag, dus. Vroeg al een krant bij een kiosk gekocht, meegenomen naar een café voor een kop koffie en een croissant. Daarna de binnenstad ingegaan, die langzaam tot leven kwam, en waar in de ochtendzon zelfs een demonstratie volksdansen werd gegeven. Doorgeslenterd, ramen (Japanse noedels, dus) gegeten voor de verandering, nieuwe delen van het centrum verkend. Overal imposante gebouwen van natuursteen, rijk versierde overheidsgebouwen en kerken, musea, exposities. Dit wordt de komende tijd onze omgeving. Wow. Ik zie het helemaal zitten.

De eerste twee foto’s die hierboven staan, daar was ik al vrij snel zeker van. Maar nu: ik heb er nog twee waarvan ik er één in dit stuk wil zetten, maar ik weet niet welke. Ze hebben allebei iets wat me bevalt en waardoor ik ze zou willen gebruiken, maar ik zou graag willen weten welke de lezers van dit weblog het meest bevalt. Dus: welke? En, moeilijk maar wel interessant: waarom? Geen van beide mag ook ;-)

Laten we deze 'de eerste' noemen

en deze 'de tweede'

… en naar aanleiding van één van de reacties, hierbij een iets aangepaste versie van de eerste, ben het helemaal met de aanpassingen eens, al vind ik zelf nog steeds dat ook foto no. 2  ‘iets heeft’:

iets aangepaste versie van de eerste

Eerst dachten we dat wij, aan de elementen blootgestelde fietsers, de enigen waren die intensief met het weer te maken hadden. Toen werd half Spanje bedekt met een laag sneeuw en zagen we dagenlang op de tv niets anders dan verslaggevers in skipakken die eropuit gestuurd werden om de grootste sneeuwval in vijfentwintig jaar te verslaan. En nu zien we dat dat weertype is doorgedrongen in grote delen van Europa en hebben we foto’s gezien van witte landschappen en witte avonturen in het Hollandse zoals die alleen bestonden in herinneringen die zo ver terug gaan dat we niet meer met zekerheid weten of het wel onze eigen herinneringen zijn.

Hadden we, zoals we even overwogen hadden, vanuit Zaragoza de meest rechtstreekse route naar Valencia genomen, dan waren we waarschijnlijk ergens in de sneeuw vast komen te zitten. In plaats daarvan brachten we nu een paar dagen door in kou en regen op een camping in Vinaròs, in het noorden van de Valenciaanse deelstaat, tussen de landgenoten die bij een kaartje en een borrel probeerden te vergeten dat ze voor een paar maanden uit Nederland waren weggegaan om de regen en de kou te ontlopen. O ja, wij ook. Nog maar een paar dagen eerder was het dagelijks twintig graden geweest in Valencia, nu kwam de temperatuur nauwelijks boven het vriespunt.

Zodra de weersverwachting liet zien dat de regen even ophield reden we verder langs de kust, waar het winterse weer dat op dat moment nog niet was losgebarsten in Nederland maar in Spanje het gesprek van de dag was zijn sporen had achtergelaten. Hier nog net geen sneeuw, maar wel dorpjes waar de zee overheen was komen vallen: straten die blank stonden of waren bedekt met een goeie laag modder en stenen, mensen die aan het bijkomen waren van de afgelopen dagen en gelaten waren begonnen aan het opruimen van de rommel. En in Benicassim waren golfsurfers zich aan het uitleven op het anders zo rimpelloze water van de Middellandse Zee.

Door een vlagerige, op het laatst stormachtige tegenwind zochten we onze weg naar Valencia. Enkele stukken over een drukke weg waren niet te vermijden, al vonden we ook weggetjes door sinaasappelboomgaarden die maar heel af en toe doodliepen, en zelfs een fietspad van een kilometer of twintig. Valencia, toen we het uiteindelijk binnenreden, was druk, vermoeiend, niet zonder gevaar voor de fietser die in de pikorde geen hoge plaats inneemt.

Maar dat was toen. Intussen hebben we met plezier vastgesteld dat dit een mooie stad is, met een oud centrum, veel gebouwen van historische waarde en ontelbare restaurants, café’s en tapas-bars. Mooi. Dat komt goed uit. We gaan hier een poosje blijven. Dat idee was een paar weken geleden opgekomen, toen het weer alleen aan de kant van Valencia mooi was: als we nou eens een maand of twee Spaanse les gingen nemen en voor die tijd een appartement in Valencia huren, en daarna pas verder fietsen? Waarom niet? We hebben immers de tijd? Hoe het daarna verder gaat zien we dan wel weer. En dat idee had langzaam vastere vormen aangenomen. Intussen zijn we bij een talenschool langs geweest, overmorgen gaan we appartementen bekijken, ziet er allemaal heel goed uit, ja hoor, we gaan een poosje blijven. Ha.

‘Hebben jullie de lotto gewonnen of zo?’ De vraag komt van iemand in een groep oudere Nederlanders die kennelijk gewend zijn aan elkaars gezelschap in de cafetaria van de camping en die niet gewend zijn zulke jonge landgenoten tegen te komen in hun overwinterland.
‘Nee’, zegt Charlotte zonder te aarzelen, ‘anders waren we niet op de fiets’. Gelach alom.

Ze hadden ons al gezien, de tent, de fietsen, maar het had even geduurd voordat één van hen ons vroeg of we Nederlanders waren. De volgende vragen kwamen gemakkelijk: hoe lang we onderweg waren, wanneer we weer naar huis gingen. En daarna natuurlijk: ‘zo zo’, en ‘wij vinden het met de auto al niks, helemaal naar Spanje’. Daar waren we het volmondig mee eens.

Zodra we aan de kust kwamen veranderde er van alles. Opeens is er veel groen, zijn er palmbomen, sinaasappelbomen. Opeens zijn er ook overal buitenlanders, met name Nederlanders en Engelsen (en de enkeling die met de uitgehangen Schotse vlag laat zien daar niet bij te horen). Campings die open zijn. De zon die…

Hee, wat is dat nou? De ene dag zitten we op een terras in de zon te eten, de volgende dag worden we overvallen met weer dat in Nederland niet misstaan zou hebben. Wat nou overwinteren? De winter heeft ons ingehaald! Op de tv beelden van sneeuw in heel centraal en oostelijk Spanje, een weerkaart met sneeuw over grote delen van het Iberisch schiereiland. O nee, over Spanje. Portugal is een blinde vlek op de kaart. Wat daar gebeurt, daar krijgen we niets van te zien. Dat is immers een ander land.

Nou hadden we al op de weersverwachting gezien dat dit eraan zat te komen, dus we hadden aangegeven waarschijnlijk drie nachten te blijven waar we nu zijn. En nu zitten we naar buiten te kijken, naar een ziedende wind die ons zó naar Valencia geblazen zou hebben, maar die gister al van dat weer meebracht, en dat vandaag opnieuw zal doen. Dat hogedrukgebied waar ik het de vorige keer over had, dat is, eh… weg. We wachten af.

De weerkaart in de krant laat een mooi hogedrukgebied zien dat pal over Spanje heen ligt. Het weerbericht op de tv toont dat soort dingen niet, dat laat alleen symbolen zien waarvan de producers kennelijk denken dat het publiek ze kan begrijpen: zon, regen, mist. Uiteindelijk maakt het niet zoveel uit, want al kunnen we niet voorzien waar de komende dagen het weer vandaan gaat komen, we zien hier en nu de symbolen die horen bij het hogedrukgebied in de winter werkelijkheid worden: ’s morgens temperaturen vlak boven het vriespunt, een enkele keer mist, en dan later op de dag de zon die, midden in december, laat zien dat er nog mee gerekend mag worden.

Net voordat de zon de laatste mist wegbrandt ontstaat deze halo

We vorderen langzaam maar gestaag, we gunnen onszelf zowel het plezier van het fietsen als het plezier van het afstappen. Zowel het plezier van het rondkijken, als het plezier van het ‘veroveren’ van wat we zien – want net zoals de bergbeklimmer een mooier uitzicht vanaf de top heeft dan iemand die de kabelbaan naar boven heeft genomen, wordt de fietser bij alles wat hij doet steeds opnieuw beloond. Fietsen kan inspannend zijn, en daar is niets mis mee. Ooit zei iemand tegen me: ‘ik ben altijd wat wantrouwig tegenover inspanningen die je pas achteraf gaat waarderen’. Maar de inspanning heeft al zijn eigen merite, en wat je ziet, hoort, ruikt, meemaakt, en bedenkt, dat komt er nog eens allemaal bij.

Afdaling naar de Catalaanse kust

Het is niet alleen inspanning. Het lijkt of we de afgelopen dagen voornamelijk afgedaald zijn. In het Frans bestaat de verzamelnaam ’sports de glisse’ voor alle sporten waarbij je over of door een medium ‘glijdt’. Skiën en snowboarden horen daarbij. Parapente en deltavliegen ook. Golfsurfen, windsurfen, zeilen en zelfs duiken worden er wel toe gerekend. En als we ongehinderd van een helling naar beneden zoeven vind ik dat ook fietsen er deel van kan uitmaken. De banden die over het asfalt zoemen. Vloeiende bochten. Wind in het gezicht. Het landschap dat moeiteloos voorbij trekt. We onderbreken dat ‘glijden’ wel af en toe. We stoppen halverwege een afdaling om te genieten van de omgeving, voordat die achter ons ligt. We zien een ploegje wielrenners naar beneden suizen. Ze hebben haast. Ze hebben misschien nog Vuelta’s te winnen, en Giro’s, en Tours. Winnen… Nou goed, niet iedereen bekijkt de wereld en zijn eigen rol daarin op dezelfde manier.

Zoiets zou je toch niet willen missen!

Na een adembenemende afdaling vanaf Gandesa naar Benifallet aan de Ebro pakken we weer een vía verde (via verda in het Catalaans) op, het intussen bekende was-spoorlijn-is-fietspad. Deze telt een aantal tunnels waarin automatisch licht gaat branden wanneer we ze inrijden! Verder zien we boeren die met lange stokken olijven uit de bomen slaan om ze op te vangen op de grote doeken die op de grond zijn uitgespreid, en overal sinaasappelboomgaarden, waar grote, rijpe, oranje vruchten aan de bomen hangen. In Tortosa overleggen we: doorgaan of stoppen? Ach, we hebben geen haast. Morgen verder.

Charlotte en Lin op de camping van Zaragoza

Zaragoza betekende: weerzien met Lin, een Canadese met wie we in Chiang Mai de TEFL-cursus hadden gedaan. Zij is zo’n ‘de wereld rond in één jaar’ ticket aan het opmaken. Na Thailand had ze een paar maanden op Borneo doorgebracht, daarna was ze naar India doorgereisd en een week geleden was ze in Madrid aangekomen. Na te hebben gewacht op haar nieuwe credit card (in de Madrileense metro had ze een hele behulpzame man gesproken die haar van alles had uitgelegd terwijl diens compagnon zich over haar portemonnee ontfermd had) nam ze de trein naar Zaragoza om daar een paar dagen met ons door te brengen. We hadden heel wat bij te praten… en we hebben niet verzuimd de binnenstad te bezoeken, met o.a. de basiliek waar ouders in de rij stonden om hun kinderen te laten zegenen, een ritueel dat de kinderen zichtbaar geamuseerd ondergingen.

Een koorknaapje wijst twee broertjes de weg naar de fotograaf, nadat ze net iets heiligs hebben mogen kussen.

Lin vond het maar koud in Spanje, en in plaats van langer te blijven wachten tot het warmer werd besloot ze door te gaan naar Londen, en van daar naar Ecuador. Wij namen ook maar weer de kaart ter hand en bestudeerden die zoals een bergbeklimmer een rotswand bekijkt, zoekend naar de voor de hand liggend lijn.

Het was niet zo eenvoudig een gunstige route te vinden. Bijna alles wat de stad uit gaat is snelweg of drukke hoofdweg; kleinere wegen kunnen alleen bereikt worden via die hoofdwegen. Bovendien zag de rechtstreekse route naar Valencia, waar we heen willen, er niet aantrekkelijk uit. Er loopt lange tijd een kleine weg naast de snelweg, dat is al niet ideaal. Maar voordat de bergen bij de kust worden bereikt houdt die weg op. Om de bergen over te steken moet een lange omweg genomen worden die bovendien enkele passen op vijftien- zestienhonderd meter telt.

We kozen voor een weg van mindere weerstand en grotere esthetische schoonheid. In plaats van de stad in zuidwestelijke richting te verlaten, gingen we in eerste instantie naar het noordoosten, om daarna aan de voet van een rotsplateau af te buigen naar het zuidoosten.

Goeie keus, al gauw bevonden we ons op een weg waarop bijna geen autoverkeer was, die voerde door een streek waar niemand woonde en waar dus ook geen reden voor autoverkeer was. Om ons heen een golvend landschap van stenige akkers. Droge, onvruchtbare grond, waar het beetje regen dat erop valt door toedoen van onze vriend de cierzo verdampt voordat het de wortels van de gewassen heeft kunnen bereiken.

Wat voor oogst mag je hier verwachten?

Het dorp dat we hadden uitgezocht om de nacht in door te brengen was onheilspellend leeg. We reden door straatjes waar niemand was, langs huizen met gesloten luiken en geparkeerde auto’s waaraan niet te zien was wanneer ze voor het laatst gereden hadden. Er was niets dat leek op een winkel, laat staan op een herberg. Over het hele dorp hing een stilte die alleen door ons verstoord werd. Nee wacht eens, daar loopt een oude vrouw. Met argwaan zag ze ons naderen, maar ze keek opgelucht toen we alleen wat informatie wilden. Onderdak? Ja, vroeger waren er twee hotels geweest, maar die waren dicht. Ga maar vragen bij de kroeg, daarginds om de hoek.

Inderdaad, er was een kroeg. De voltallige mannelijke bevolking van het dorp keek erin op toen we binnenkwamen. En ging meteen weer verder met de geanimeerde gesprekken die ze aan het voeren waren en die duidelijk de prioriteit hadden boven de tv waarop ‘Gone with the wind’ te zien was. Het was opeens duidelijk waarom we niemand op straat gezien hadden. Ik zag het voor me hoe om de zoveel dagen (weken?) iemand eens buiten het dorp ging kijken, om heel af en toe tegen zichzelf te zeggen: joehoe, en dan snel iedereen te waarschuwen dat er iets tot wasdom was gekomen op de velden. Hoe dan iedereen zich haastte om het gegroeide binnen te halen en daarna het leven in de kroeg weer verder kon gaan, in de wetenschap dat er maandenlang niets te oogsten zou zijn. Ik zette die gedachten van me af. Het moet een hard leven zijn in deze droge streek.

De mannen krabden over hun ongeschoren kinnen en herinnerden zich meerdere slaapgelegenheden, waaronder iets wat op onze route lag, 28 kilometer verderop. Enne, hier? Nee… hier niet. Logisch. Wie komt hier langs? Terwijl, 28 kilometer verderop, daar komt een hoofdweg langs, dus mensen die ’s avonds stoppen om te overnachten. We kwamen er aan op het moment dat de zon de einder raakte, en werden gecompenseerd voor de overuren met prachtig licht, mooie kleuren en een weg die heel geleidelijk naar beneden ging.

Dat gebeurt nou zó vaak hè, zie je een mooie zendmast die je wilt fotograferen, staat er een kerk naast!

Volgende dag: klein stukje verder, in eerste instantie langs wat leek op eindeloze, onbegroeide velden, maar al snel tussen olijfbomen en dennen door, en nog steeds, wonderbaarlijk, aan het dalen tot we uiteindelijk aankomen bij de Ebro, die vanuit Zaragoza een iets andere route heeft gekozen. In Caspe eten we weer eens een flinke maaltijd en staan we voor de deur van de supermarkt als die om half zes ’s avonds open gaat, om inkopen te doen nadat drie dagen lang alles dicht is geweest i.v.m. feestdagen zoals de dag van de grondwet. We hebben tegen die tijd ook rondgelopen en ons verbaasd over een poppig middeleeuws kasteeltje, gebouwd in 1875, dat trouwens wel op het hoogste punt in de omgeving staat en van waar het uitzicht werkelijk fantastisch is.

En alweer wifi in de kamer. Je zou er zo aan gaan wennen…

Mooie, rustige weg

Na Sos ging de reis hoofdzakelijk naar beneden, met af en toen een klein klimmetje om geen ontwenningsverschijnselen te krijgen. We kregen daarbij bovendien een duwtje in de rug van onze nieuwe vriend de cierzo.

Even omhoog, maar met de wind mee

De cierzo is een wind. Niet, om met Huizinga te spreken, het minste kind, de gelaten wind, maar een tweelingbroer van de mistral die, als-ie een beetje op gang komt, in staat is een volwassen vent van zijn brommer te blazen. Hij kwam op gang en woei zoals het hoort vanuit het noordwesten, terwijl wij naar het zuidoosten reden. We hebben ons rotgelachen.

Onderweg kwamen we nog van die kolonies vale gieren tegen die ons na zaten te kijken met de blik van wie geduldig kan wachten en weet dat de tijd in zijn voordeel werkt. Ietwat verontrustende aanblik voor wie daar niet zo aan gewend is…

De laatste 24 kilometer naar Zaragoza, hadden we op de kaart gezien, konden alleen maar over zo’n dikke rode weg afgelegd worden, of over de tolweg. Die laatste zag er prachtig rustig uit, maar bij de oprit stonden politie-agenten te kijken met de verdrietige blik van iemand die al veel te lang geen bon meer heeft uitgedeeld. De dikke rode weg bleek gewoon een vierbaansweg met gescheiden rijstroken te zijn, een soort snelweg zeg maar, vol met vrachtwagens maar ook voorzien van een volwaardige vluchtstrook waarop fietsers meer ruimte hebben dan aan de rand van tweebaanswegen.

Toch beviel het ons maar matig, al dat geraas om ons heen, en bij navraag hoorden we dat er twee alternatieven waren: een onverhard pad langs de snelweg, of een wandelpad langs de Ebro, even verderop. We keken elkaar aan. Wandelpad.

Dat was wel mooi, ja. Rustig. Stenig. Hobbelig. En toen we daar genoeg van hadden verruilden we het voor de stenige, onverharde weg naast de snelweg. En toen we in Zaragoza aankwamen waren we moe. Tjonge. Weet niet wat beter is: op de vluchtstrook van een snelweg rijden, of over onverharde paden die niet voor verkeer bedoeld zijn. Maar iets ertussenin bestond gewoon niet. Toch hebben we ons wel vermaakt, getuige ook onderstaande foto waarmee we doorgingen in de stijl van een vorige die  in Sos was gemaakt.

Groepsfoto in het bos

We kunnen dan wel op goed geluk zijn afgeslagen, dat wordt intussen wel ruim beloond. Vanuit Pamplona naar Lumbier: lekker fietsen, koel maar helder weer met vergezichten en rondom besneeuwde heuvels. De dag afgesloten met een bezoek aan een aardig oud stadje.

Foz de Lumbier: voormalige spoorlijn

Volgende dag: niet meer dan een kilometer of 25, rustig de tijd genomen om te bekijken wat we zoal te zien kregen. Dat was niet niks. Bij toeval op de kaart een weggetje uitgezocht dat door een prachtige canyon bleek te voeren, langs een rivier, via het tracé van een voormalige spoorlijn dat was veranderd in voet/fietspad. Om ons heen niets dan natuurschoon.  Kleurrijke rotswanden, snelstromende rivier, en boven ons: een honderdtal gieren. Dat laatste was niets waar we ons zorgen om moesten maken. Die dieren zijn hier gewoon thuis, en ze houden zich bezig met wat lijkt op een parapentewedstrijd: met zijn allen in een thermiekbel(letje), totdat de eerste vermetelen oversteken naar een andere plek. Weldra volgen de anderen en is de hemel gevuld met achter elkaar aan zwevende vogels. Dan vormt zich een nieuwe verzameling daar waar ze voldoende stijgende lucht vinden om al cirkelend wat meer hoogte te winnen, totdat opnieuw enkele vogels besluiten ergens anders te gaan zoeken. Het is zo’n bekend gezicht, ik heb het zo vaak gezien, eraan meegedaan. Dit is de eerste keer dat ik de professionals in actie zie.

Door deze tunnel reed ooit een trein

Aan de voet van Sos del Rey Católico

Door, nu naar Sos del Rey Católico. Hele mond vol. Prachtig middeleeuws dorp. In de tiende eeuw terugveroverd op de Moren en vervolgens lange tijd dienst gedaan als vesting. In 1452 werd Ferdinand II van Aragón geboren in wat toen nog gewoon Sos heette. Aangezien hij bekend zou worden als Ferdinand de Katholieke was er een mooie aanleiding voor zijn geboortedorp om zich een langere, edeler klinkende naam aan te meten.

Wat een schitterende, goed bewaarde plaats! We lopen rond in de nauwe, zo goed als autoloze straatjes en genieten van de rust die er ongetwijfeld in andere tijden van het jaar niet is. Vanaf de vestingmuren is het uitzicht op de eronder liggende vallei, van waaruit we zijn komen fietsen, adembenemend. Morgen klimmen we nog wat verder, om na een pas opnieuw lange tijd af te dalen, richting Zaragoza. De afgelopen twee dagen hebben we geen grote afstanden afgelegd, maar… het was wel erreg mooi hoor.

Charlotte kijkt haar ogen uit in de oude binnenstad van Sos del Rey Católico

Vanuit Pamplona kun je verschillende kanten op. O jaha? Ja. Nou, om te beginnen komen er verschillende Santiago-routes samen, dus je kunt er langs komen als je naar of van Santiago op weg bent. Hebben we even over gedacht, hier rechtsaf gaan naar Santiago.

Je kunt ook richting Valladolid, en dan door naar Midden-Portugal, en dat was een variant die ons een poosje erg aantrekkelijk leek. Als je dan doorgaat langs de Portugese kust en op een gegeven moment linksaf gaat en langs de Spaanse oostkust omhoog, krijg je een lijn die het erg goed doet op de kaart van het Iberische schiereiland. Esthetisch verantwoord, en dus best wel voor de hand liggend. Alleen. De komende maanden zijn, als het klimaat nog steeds ongeveer doet wat het tot nu toe gedaan heeft, nogal nat en koel aan de Portugese kust. Nat is niet zo’n bezwaar. Koel al helemaal niet. Maar nat èn koel? Nadat onze waterdichte, ademende Patagonia jacks een paar keer in de war zijn geraakt en de regen begonnen door te laten terwijl het zweet binnen bleef, zijn we wat terughoudend geworden met de combinatie nat/koel.

Wat bijdraagt aan de discussie is de wat plotselinge overgang van fietsen in t-shirt ten noorden van de Pyreneeën tot de sneeuw die vandaag in Pamplona viel. Wacht even – sneeuw? We waren toch juist naar het zuiden gefietst om mooier weer te vinden? Nou was zowel het warme weer van een paar dagen geleden als de kou van nu ietwat uitzonderlijk, maar toch.

Een blik op het weerbericht voor verschillende Spaanse plaatsen leerde dat het binnenland voorlopig waarschijnlijk droog en koud is, en de zuidoostkust droog en warm. Heee… dat klinkt aardig. Dus… we gaan wat anders doen dan we van plan waren. We gaan in Pamplona niet rechtsaf, maar linksaf. En dan zien we wel weer verder.

Intussen zijn er wat kleine dingen waar we tegenaan lopen. Openingstijden van winkels en restaurants. Winkels zijn overwegend op maandagochtend gesloten, en gaan dus pas open om… vijf uur ’s middags! Vlak nadat de restaurants ophouden met het serveren van lunches. Het avondeten is op zijn vroegst te krijgen om half negen. Waarom deze aparte tijden? Oh, omdat het zo warm is overdag en een pauze van een paar uur tussen de middag dus een goed idee is. Aha. Zal ik het nog een keer zeggen? Het sneeuwde vandaag. Ik snap het niet zo.

Spaanse keuken… Hm. Ik heb me in het verleden wel eens laten ontvallen dat de ramp die de Filipijnse keuken is, vast wel verklaard kan worden uit de Spaanse en Amerikaanse invloeden waaraan deze heeft blootgestaan. Maar zo goed ken ik de Spaanse keuken eerlijk gezegd niet, dus dat was een slecht onderbouwde conclusie. Tijd om opnieuw te gaan kennismaken.

Het lijkt wel alsof alles wat je eet ergens in drijft. Kleurloos is. Smaakt naar zout. Niet altijd, toegegeven. Charlotte koos op goed geluk iets uit de menukaart, we wisten geen van beiden wat het was. Het dreef, dat wel. Maar kleurloos, nee, dat niet. In een helder rood vocht dreef allerlei wits waarvan de smaak moeilijk thuis te brengen was. Niet zo vreemd, want we kenden het inderdaad geen van beiden. Callos a la Madrileña: pens met bloedworst, een Madrileens gerecht dat wel vaker op menukaarten voorkomt. Wie komt op het idee zoiets klaar te maken, laat staan aan zijn gasten aan te bieden? Nou was het niet echt onsmakelijk, maar dit hoort in de categorie ‘moet je een keer gedaan hebben. Eén keer, meer niet’. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Volgende Pagina »