February 2009


Tha Ton was een wat merkwaardig fenomeen. Een bescheiden dorp aan een rivier, maar de meeste huizen stonden langs de weg die de rivier kruiste en niet, zoals je zou verwachten, langs het water. Daar stonden een hotel en een aantal guesthouses, waar af en toe tourbussen met groepen toeristen stopten, maar die verder grotendeels leeg bleven. Iemand vertelde ons dat Tha Ton vooral in trek is bij Thais en mensen uit andere delen van Zuidoost-Azië, die komen om de pas gebouwde tempels te bezoeken en dat vooral in het weekend doen. We hebben die drommen mensen niet zien komen, en genoten van de rust. Er was met name een plek aan de rivier waar we meerdere malen uitgebreid hebben zitten lunchen, uitkijkend over jonge monniken die er kwamen zwemmen.

DSC00835

Door naar Pai. Pai, had Curtis de bomenplanter uit Saskatchewan gezegd, is veranderd, is Khaao Saan Rd geworden. Wanneer was hij er voor het laatst geweest, vroegen we. Zeventien jaar geleden, had hij geantwoord. Anderen hadden het over een plaats met een bijzondere uitstraling, waar Thais, Lisu, Chinese moslims en expats uit allerlei delen van de wereld samenleefden in een ongedwongen sfeer. We vonden dat we er op zijn minst moesten gaan kijken om zelf een mening te vormen.

Er waren twee bussen voor nodig. De eerste passeerde zwarte, brokkelige stukken berg die als een rot gebit langs de weg stonden. Enkele tientallen kilometers voor Chiang Mai stapten we uit om een andere bus te vinden die ons naar Pai zou brengen. Niet eens zo’n makkelijke opgave, aangezien er geen busstation of bushaltes waren, al werd het snel genoeg duidelijk dat we alleen maar hoefden te wachten op een passerende bus en dan de hand moesten opsteken. Het heeft wel wat. Dit is heel anders dan de grote, snelle bussen die we kennen van de trajecten naar en door het zuiden. Hier steek je je hand op voor een bus waarin de deuren niet goed dicht kunnen en waar eenvoudige bankjes aan weerszijden van het gangpad alleen in theorie plaats bieden aan drie mensen. Je kunt beter niet veel bagage bij je hebben, er is alleen plaats voor op de grond, waar ook de mensen moeten staan voor wie geen zitplaats beschikbaar is.
Over de laatste honderd kilometer deden we drie uur. De ingenieurs die de weg hadden aangelegd moeten zich herhaaldelijk over het hoofd gekrabd hebben, en sommige hellingen waren door de zwoegende, puffende bus alleen in de eerste versnelling te halen.

DSC00877

Onze indruk van Pai: ach, een beetje van allebei eigenlijk. Iets van Khaao Saan Rd is wel te herkennen, al moet je dan eerder denken aan Khaao Saan Rd in het begin van z’n carri่re. Er is meer rust. Er lopen mensen van allerlei ethnische achtergronden door elkaar. Er zijn vooral meer Thais, die komen omdat in Pai een populaire romantische Thaise film is opgenomen. Deze Thais zijn wel grappig. Jong, voornamelijk vrouwen, en allemaal onophoudelijk foto’s aan het maken. Van elkaar voor een brievenbus. Van elkaar voor een winkel. Van elkaar voor een fiets. Afijn. En expats zijn er ook, mensen die waarschijnlijk met weemoed terugdenken aan de tijd dat het dorp nog een goedbewaard geheim was. Een vrouw op een fiets, die aan een Thaise verkoopster vraagt: how long are you in Pai? Me eight years.

DSC00886

Ook hier hebben we nog fietsen gehuurd om dorpen en een waterval te bezoeken. Mooi landschap, mooi licht. In de buurt van de waterval wordt ons hash en opium aangeboden. Niet af en toe, maar door iedere dorpsbewoner die we tegenkomen. Er zijn plantages van papaya-bomen die te jong zijn om vruchten te dragen. Of hier onlangs nog papavers gestaan hebben? Het is nog niet zo lang geleden dat Thaksin’s oorlog tegen de drugs in deze regio tot 2500 doden heeft geleid, en de vernietiging van papavervelden. Later kwam een onderzoekscommissie tot de conclusie dat 1400 van die doden geen band met drugs hadden. Maar dat is een ander verhaal.

Ja, mocht ik het zelf vergeten zijn, dan waren de goede wensen die op allerlei manieren binnenkwamen genoeg om me te helpen herinneren: vijftig vandaag… Bedankt iedereen voor die goede wensen! Charlotte verraste me met slingers, kado’s, champagne en taart. Champagne?? Taart???

P2130002

In Chiang Rai is een Nederlands restaurant met eigen bakkerij: the Old Dutch. Dagelijks kan er de buitenland-editie van de Telegraaf gelezen worden. Erwtensoep, kroketten, frikandellen, kaasfondue en allerlei stamppotten zijn er verkrijgbaar. Er wordt drop verkocht met een uiterste houdbaarheidsdatum van drie jaar geleden. En Charlotte had er een cheesecake met kersen gevonden. Goh, zei ik bij de eerste hap, dat is apart, hij is van blauwschimmelkaas gemaakt. Charlotte bekeek de taart en verbleekte. Getver, hij is beschimmeld! Ze had net een stukje aan het meisje van de receptie van het hotel aangeboden, als dank voor haar hulp bij het bewaren van de taart en de champagne. Zouden we haar moeten vertellen dat het misschien beter was dat stuk niet op te eten? Ach, dat hoeft niet, dacht ik, ze zal na een eerste hap wel gedacht hebben: rare smaak hebben die buitenlanders, en de rest weggegooid hebben. We hebben er wel nog om gelachen. ‘s Avonds hebben we nog, in een ander restaurant dat eigendom was van een Nederlander, bitterballen besteld die naar kokos smaakten (in de palmolie gebakken?), en zo blijven we om onszelf lachen. Morgen maar weer gewoon Thais eten, morgen is geen bijzondere dag, morgen kan het weer…

P2130015

Maar even terug naar waar het vorige bericht opgehouden was.

In Nan zijn we nog een paar dagen gebleven. Na de voettocht die in het vorige stukje beschreven werd zijn Mark en Katie gauw verder gegaan; ze zijn van plan over een maand of twee in het Verenigd Koninkrijk aan te komen en kunnen dus niet lang blijven, ze waren al langer gebleven dan ze van plan waren. De Canadezen konden wat langer blijven en dus hebben we nog wat tijd met ze doorgebracht. Op een avond gingen we met ze naar een festival aan de rivier. Om een met tafels en stoelen ingericht plein waren kraampjes met eten ingericht die allerlei herkenbare en minder herkenbare soorten eten aanboden. Terwijl op een podium dansgroepjes meedongen naar de prijzen die al stonden uitgestald haalden wij eten volgens de methode ‘hm, dat ziet er interessant uit, geen idee wat dat kan zijn, doe me dat dus maar’. Intussen was de lucht gevuld met meer motjes dan we ooit eerder bij elkaar gezien hadden, en schijnwerpers werden uit- en weer aangezet in een vruchteloze poging ze te verspreiden. Verkopers waren onophoudelijk bezig hun koopwaar te ontdoen van de lijfjes van insecten die erin terecht waren gekomen. Na een paar uur nam het aantal fladderende beestjes af. Toen we naar huis liepen was de grond bezaaid met een zo dikke laag vleugels dat het leek alsof het gesneeuwd had.

Op naar Chiang Rai, waar we na een zes uur durende busrit aankwamen. Om er meteen weer uit te vertrekken, omdat de meest aanlokkelijke optie voor onderdak in de heuvels op 23 km buiten het stadje lag. ‘Op 1500 m hoogte, volledig beheerd door leden van de Akha-stam, met een keuze uit wandelingen door dorpen van andere ethnische minderheden, langs watervallen, theeplantages’… Na twee dagen lang te hebben genoten van de rust en op eigen houtje watervallen en theeplantages te hebben bezocht werden we verrast door de komst van zeventien nieuwe gasten die het einde van de rust betekenden. De door een gids begeleide wandelingen waren drie, vier keer zo duur als in Nan, de interactie met Akha’s bestond uit pogingen van hun kant onze aandacht te vestigen op de sieraden die voor hen op de grond lagen uitgestald wanneer we in de buurt kwamen, en na een aantal van dat soort kleine tegenvallers vertrokken we maar weer, terug het stadje in, om ons daar te beraden op wat we verder wilden gaan doen. Er zijn allerlei opties, de ene nog aantrekkelijker dan de andere.

Maar zie: Chiang Rai, waarvan anderen ons vertelden dat het hooguit interessant is omdat je van daaruit allerlei kanten op kan, bevalt ons. Het trekt genoeg buitenlanders aan om van alles te kunnen bieden waar buitenlanders zoal van houden, en tegelijkertijd is het ontspannen genoeg om er langere tijd te kunnen doorbrengen.

Ook enkele kilometers buiten de stad bevindt zich iets waarover iedereen die we spraken het zelfde zei: dat moet je gezien hebben. De ‘witte tempel’ of ‘white wat’ bleek inderdaad een uitzondering op de vrij elementaire reizigersregel dat je niet voor ieder wittewatje een tuktuk moet nemen. Een Thaise schilder/architect is hier al jaren bezig met de bouw en inrichting van een tempelcomplex dat, eh, een beetje afwijkt van traditionele tempelcomplexen. Aan een beschrijving waag ik me niet, laten de foto’s van de buitenkant en muurschilderingen binnen (snel genomen toen de bewaker even afwezig was, want fotograferen verboden) maar een indruk geven…


DSC00515

DSC00539

Naar het noorden, dus. Niet naar het zuiden om te gaan duiken of te kijken of ze vrijwilligers konden gebruiken bij het gibbon project (dat waren twee opties die we hadden overwogen), dat komt vast later nog wel eens. We zijn noordwaards vertrokken om andere dingen te gaan doen, en tot nu toe bevalt het uitstekend.

In Den Chai, waar we uit de trein stapten, stapte nog een buitenlander uit, een Canadees uit Saskatchewan met een niet te missen accent (I’m a tree planter, hey), die de wintermaanden waarin hij toch niet kon werken kwam doorbrengen in deze omgeving en die verbaasd was te zien dat hij niet de enige buitenlander was die in deze plaats uitstapte. Voorlopig zouden we inderdaad weinig buitenlanders te zien krijgen, en zij die we wel zagen waren allemaal bezig met een langer verblijf in Azië.

DSC00224

Kinderen in Phrae, in het noorden van Thailand

In het in de buurt gelegen Phrae, waar we alleen gedacht hadden de nacht door te brengen omdat we eigenlijk op weg waren naar het verder weg liggende Nan, bleven we een paar dagen hangen, blij met het prettige weer, de tempels en de bijna complete afwezigheid van buitenlanders. Een welkome afwisseling na de afgelopen weken… En bovendien hebben we alle tijd.

Nan, vervolgens, waar we intussen een week zijn, is vooral een stadje waar boeren uit de wijde omgeving hun inkopen komen doen, maar er is bovendien een reisburo dat voettochten in de omliggende heuvels aanbiedt, met overnachtingen in dorpen van ethnische minderheden en zo. En daar hadden we wel zin in. In ons guesthouse was nog een Engels stel dat in Nieuw-Zeeland heeft gewoond en gewerkt en dat nu een paar maanden heeft uitgetrokken om via Azië terug naar Engeland te gaan en een ouder Canadees stel dat overwintert in deze regio. Met zijn zessen schreven we ons in voor een voettocht van drie dagen.

Erg de moeite waard: we liepen door jungle, door bamboewoud, over steile hellingen waarop met de hand mais geplant was die ook met de hand werd geoogst. We kwamen verschillende soorten bananen tegen, sommige eetbaar, andere niet, zagen hoe boeren zelf buskruit maken, leerden over de verschillende stammen die in deze provincie voorkomen, over de talen die ze spreken en over hun gebruiken. Onze gids vertelde ons hoe hij zelf in Laos was opgegroeid maar was gevlucht in de zeventiger jaren, toen zijn land zwaar door de Amerikanen werd gebombardeerd, daarna lange tijd zijn familie niet had gezien maar uiteindelijk met ze was herenigd in een Thais vluchtelingenkamp. Ze waren in Thailand gebleven en hadden er een moeizaam maar goed bestaan opgebouwd. Geweldige man, altijd opgewekt, altijd speels en vol humor, een bron van informatie over de omgeving, en hij sprak zes talen. Waaronder het Mlabri.

Wat is Mlabri? We zouden er op de tweede dag achter komen, en het zou het hoogtepunt van de tocht vormen. Onze gids had gehoord dat er Mlabri’s in de omgeving waren en wilde proberen ze voor ons te vinden. Mlabri, legde hij uit, zijn een nomadisch volk dat nog op primitieve wijze leeft van wild waarop ze jagen met speren en yams die ze opgraven. Onze nieuwsgierigheid was gewekt, al konden we ons niet goed een idee vormen van wat ons te wachten stond.

P2050155

Charlotte en Cho, de gids

Toen hij ons, na een poosje in zijn eentje op onderzoek uit te zijn geweest, in het bos naar ze toe leidde, waren we verbaasd niet een hele stam aan te treffen, maar enkel een oud stel met twee kleine kinderen, die van onder een afdakje van bananenbladeren vriendelijk de bezoekers zaten op te nemen. De oude man gekleed in niet meer dan een lendedoek, de vrouw in een sarong met daarboven een blouse, de meisjes in t-shirts en broeken. De oude man nam de meegebrachte geschenken aan, haalde daar wat varkensvet tussen uit, sneed dat met een mes dat hij tussen zijn voeten tegen zich aan geklemd hield in reepjes, vulde er een stuk bamboe mee en legde dat op het vuur. Daarna stak hij een zelfgesneden pijp aan met behulp van een stuk vuursteen en keek geamuseerd toe terwijl wij onhandige pogingen deden met de vuursteen vonken te produceren.

We kregen stukjes van het gesmoorde varkensvet aangereikt en aten dat met yamswortel; het smaakte helemaal niet slecht. We stelden wat vragen, die onze gids voor ons vertaalde. Hun taal had hij geleerd tijdens zijn contacten met Mlabri, de enig mogelijke manier omdat het alleen een gesproken taal is. Zijn er nog meer familieleden? Ja, twee zoons waren op dat moment naar eten aan het zoeken. Hoe oud zijn ze? Wisten ze niet, ze hielden geen datum bij en hun taal heeft geen woorden voor getallen groter dan tien. Waar zijn andere families? Wisten ze niet, maar af en toe nodigde de gouverneur iedereen die te vinden was uit voor een bijeenkomst, en dan werd voedsel en kleding uitgedeeld. In kleine hoeveelheden, want het was gebleken dat ze alles wat ze niet meteen nodig hadden gewoon achterlieten. Hoe gaan ze de door ons meegebrachte instant noedels opeten? En ze deden voor hoe ze er bamboe mee konden vullen en hoe ze kommen maakten van bananenblad. Er moest wel yamswortel bij de noedels, anders was het niet lekker. Hoe lang blijven ze op één plaats? Dat hing ervan af: als er geen eten meer te vinden was, trokken ze verder. Dat kon na een paar weken zijn, of na een paar dagen. Hebben ze verhalen die ze elkaar vertellen? Jazeker, en geloven, gebruiken, taboes.

P2040076

de oude man doet voor hoe je vonken maakt met vuursteen

Ze wasten zich nooit. Ze dronken water uit riviertjes, maar vingen ook regen op in bananenblad. Ze bekeken de foto’s en videoopnames die van hen gemaakt werden met een interesse die nauwelijks boven onverschilligheid uitkwam: o, leuk ja. Ze kwamen natuurlijk af en toe in contact met mensen die leefden op een andere manier dan zij zelf, maar zij leefden nu eenmaal op hun eigen manier. Heel even mochten we kennis maken met die levenswijze en we keken ernaar, gefascineerd, zij het met de onbewuste huivering die je voelt als je je een leven voorstelt zonder vanzelfsprekende zaken als zeep, espresso, boeken en ipods. Hoe had onze gids ze eigenlijk gevonden? In een gebied waar ze zijn gesignaleerd moet je kijken waar ‘s morgens rook uit het bos omhoogkomt, zei hij, en dan ga je daar gewoon zoeken. O ja. Natuurlijk.

Op de derde dag stopten we in een bamboebos om meegebrachte noedels op te eten. De gids stapte op een flinke bamboestaak af, kapte hem en begon erin te hakken en te snijden. Toen hij klaar was hadden we ieder een stel perfecte eetstokjes, vierkant aan één uiteinde, rond aan het andere, van de juiste lengte en het juiste gewicht. De verbazingen stapelen zich op.

Er waren meer dingen die nog niet vermeld zijn, zoals het dorp waar we sliepen en waar de kinderen zich aanvankelijk verstopten als we in de buurt kwamen. De dag dat we al fietsend een feest tegenkwamen waarbij verschillende dorpen hun krachten maten in allerlei spelen en wedstrijden en wij overal eten en drinken kregen aangeboden. Het restaurant waar onze binnenkomst ervoor zorgde dat alle gesprekken verstomden en alle gezichten onze kant opdraaiden. De verlegenheid van de mensen die zich geconfronteerd zien met buitenlanders, verlegenheid die omslaat in enthousiasme als blijkt dat we wat Thais spreken. We zijn in een omgeving die wat minder ervaring heeft met buitenlanders, en we hebben het naar onze zin. We blijven nog een poosje.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.