Het moet mogelijk zijn te verdwijnen. Niet zomaar weggaan, maar langzaam jezelf ontdoen van alles wat je onderscheidt van de rest van de wereld, zodat het moment waarop je ophoudt jezelf te zijn niet met zekerheid vast te stellen is. Tournier beschreef zoiets.

Nu nog besta ik, op vele manieren. Ik ben werknemer bij een grote Nederlandse luchtvaartmaatschappij, huurder van een appartement in Amsterdam, eigenaar en bestuurder van een auto, klant bij allerlei bedrijven. Dat gaat allemaal ophouden. Het ontslag gaat eind deze maand in, de huur is opgezegd, de auto wordt verkocht, de bedrijven zullen niet lang rouwen om het verlies van een klant. Wat blijft er dan nog van mij over? Voorlopig nog genoeg. Verschillende computers, verspreid door het land, herinneren zich mij als bezitter van een rijbewijs, een paspoort en een burgerservicenummer. Voorlopig nog wel. Het verbaasde me hoe gemakkelijk het was om bij het stadsdeelkantoor aan te kondigen dat ik uit Nederland ga vertrekken, en dat ik geen nieuw adres heb. Had veel meer tegenstand verwacht: maar dat kàn niet, u moet toch een adres hebben? Ik vermoed dat de belastingdienst wat minder toeschietelijk zal zijn en zal blijven geloven in een fictie die ze mijn naam en burgerservicenummer geven, die in Nederland woont en in box 3 aangeslagen kan worden, ook al heb ik me van deze fictie losgemaakt. Het is een omhulsel waar ik uit vertrokken ben, een herinnering die in zijn eentje is achtergebleven. Aardige gedachte, dat de belastingdienst één van je trouwste bondgenoten is wanneer je dreigt te vervagen, dat daar mensen werken die tot het bittere einde in je blijven geloven, die je vasthouden en je een plaats in deze wereld geven.

En de dierbaren, natuurlijk. Die misschien af en toe dit verslag lezen. Die een brug vormen met een wereld van herinneringen die ‘thuis’ heet. Die brug wil ik blijven onderhouden.