Gisteren even een dipje.
Vandaag een verblijfsvergunning.

Over het dipje hoeven we het verder niet te hebben, niet iedere dag kan geweldig zijn, en met wat zoetigheid (kuih, laddu) en koffie werd dat min of meer opgevangen.
Vandaag een bliksembezoek aan de immigratiedienst gemaakt, met alle papieren: vanochtend vroeg in het vliegtuig naar Kuala Lumpur, twee uur doorgebracht bij de immigratiedienst, vanmiddag weer met het vliegtuig terug naar Penang. De aanvraag van de ziektekostenverzekering bleek samen met het bewijs dat die al betaald was voldoende, en nu is de verblijfsvergunning voldoende om de verzekering ook inderdaad te krijgen. Phew…

Ik ben zo trots als een pauw op die verblijfsvergunning! In dit land waar diversiteit is verankerd in de wet d.m.v. een soort sociaal contract tussen ongelijke partners (jullie immigranten en zonen en kleinzonen van immigranten mogen in ons land wonen, als wij Maleiers een beetje meer van alles krijgen dan jullie) heb ook ik een plekje gekregen. Een plekje dat betaald is door een rekening te openen en daar geld op te zetten, dat is waar. Daar doet verder niemand moeilijk over, geen inburgeringscursus, geen vragen of verwachtingen, meteen erkenning als deelnemer in dit land in een rol die voor iedereen duidelijk is.

De immigratiedienst zit, met veel andere overheidsinstellingen, in een stad ten zuiden van Kuala Lumpur die volledig nieuw uit de grond gestampt wordt. Putrajaya is een plan, een visie, een project voor de toekomst. Vooralsnog komt het wat merkwaardig over: de stad is verdeeld in sectoren, en iedere sector bestaat uit grote lappen grotendeels aangelegd groen met hier en daar uit de grond steigerende hoogbouw. Waar al gebouwen klaar zijn blijkt dat de voorkeur van de architecten en hun opdrachtgevers uitgaat naar moderne vormen en islamitische symbolen, en aan de ontwerpen is de ambitie af te meten van de politici die het plan bedachten.
Even doet het me denken aan een reisverslag van Wim Dussel dat ik las toen ik nog een klein reizigertje was. Hij bezocht Chandigarh, de Indiaase stad die door Le Corbusier vlak daarvoor uit het niets gebouwd was, en vroeg zich af of een Westers ontwerp kon aansluiten bij een Aziatische levensstijl. Zijn conclusie was: nee, en ter illustratie noemde hij bijvoorbeeld de inwoners die hun koeien in de logeerkamer van hun gloednieuwe huis neerzetten. Nu, vijfenveertig jaar later, wordt Chandigarh beschreven als een mooie stad waar de inwoners het hoogste gemiddelde inkomen van India hebben.
Ik kan me voorstellen, van het hele kleine kijkje dat ik er heb kunnen nemen, dat ook Putrajaya tijd nodig zal hebben om een volwaardige stad te worden, met mensen die er kunnen leven, met winkels en markten, met ontmoetingsplaatsen en afstanden en afmetingen op menselijke schaal.
Te zeggen dat in Maleisië aan de weg getimmerd wordt is een understatement in meerdere opzichten. Overal wordt aan de infrastructuur gewerkt, en niet bepaald met hamers. De luchthaven van Kuala Lumpur is één van de mooiste in de wereld. De regering bevordert actief de rol van de luchthaven in de regio. Overal wordt gebouwd. Er wordt enorm geïnvesteerd in IT, zowel op bedrijfsniveau als in pogingen om iedereen aan snel internet en de nodige vaardigheden te helpen.
En dat levert aparte tegenstellingen op. Zoals het feit dat ik dit het net opgooi via gratis wifi in een goedkoop hotel, in een oude binnenstad die sinds de huizen gebouwd werden nauwelijks is veranderd. Om me heen zijn in hun traditionele open ateliers die vaak ook als woonruimte dienen lijstenmakers bezig, en koperslagers, en rolgordijnvlechters, met gereedschap en gebruik van technieken die vele generaties lang van vader op zoon zijn overgeleverd. Hoe lang kan dit nog bestaan?