Oh-oh, alweer een week voorbij zonder dat ik heb kunnen schrijven… Inderdaad, alweer een week zonder internet. Krijg je, als je een week onder water zit, zoals Yvonne al zei. Of als je ergens heen gaat waar alleen ’s nachts stroom is, en waar telefoonlijnen en satelietschotels bekend zouden zijn uit films, als er tenminste tv was. Bij Uncle Chang’s op het eiland Mabul doet de mobiele telefoon zijn best om af en toe een signaaltje op te pikken en vertrekt eens per dag een boot naar het vasteland.

Even terug naar het begin van de afgelopen week. Van Kota Kinabalu zijn we naar Tawau gevlogen, aan de zuidoostkust van Sabah. Merkwaardige plaats, bewoond door Chinezen die twee woorden Engels spreken en Maleiërs en Filippino’s die geen Engels spreken. Na overal in Maleisië mensen te zijn tegengekomen met wie te praten valt krijgen we hier het idee in een verre buitenpost te zijn aanbeland. Wat ook zo is, trouwens.

Neem b.v. deze conversatie. Ik loop een hotel binnen waar iemand met een Chinees uiterlijk achter de receptiebalie staat.

‘Do you have a room?’

… (niet-begrijpende blik)

‘Room?’

‘Fooce’.

Mijn beurt om niet-begrijpend te kijken. Hij probeert het nog eens, langzamer deze keer, en zegt iets wat lijkt op ‘Full house’. Het komt niet overtuigend over, dus ik vraag nog eens.

‘Everything full?’

‘No’.

‘Please give me a room’.

‘Full house’.

En dergelijke situaties doen zich voor wanneer we proberen iets te eten te bestellen bij een verzameling eetstallen waar Chinezen zich in groten getale tegoed doen aan overheerlijk uitziende vis- en groenteschotels, maar personeel ons stoïcijns aan blijft kijken bij alles wat we zeggen. Het is allemaal goed gekomen.

Volgende ochtend, na een ontbijt van soto makassar (de nabijheid van Indonesië is voelbaar): minibus naar Semporna, om van daar over te steken naar het eiland Mabul. De minibus blijkt onder de achterbank waar wij op zitten een enorme luidsprekerbox te hebben, waar vooral fenomenale bassen uitkomen. Het begint een bekend fenomeen te worden: vrouwen, kinderen, waardige oude mannen, die gabberhouse en hiphop op volle sterkte over zich uitgestort krijgen en geen spier vertrekken.

Aziaten lijken collectief aan verschilende varianten van horror vacui te lijden. Ooit viel me in Hong Kong al op dat hele families Chinezen hun hele leven in piepkleine behuizinkjes doorbrachten, en dat de straten van b.v. Causeway Bay vaak zo vol waren met mensen dat er geen doorkomen aan was, terwijl ik op de wandelpaden in de New Territories geen Chinees tegenkwam. Dit kon geen toeval zijn, dit moest het gevolg zijn van een bewuste keuze. In Maleisië en elders zien we hoe iedere stilte die zou kunnen ontstaan onmiddellijk wordt opgevuld met geluid, waarbij ieder geluid, hoe betekenisloos ook, beter is dan geen geluid. Misschien is zelfs het vullen van in onze ogen ongerepte en dus volmaakte natuur met kleurrijk afval een vorm van opvullen van leegte. Wie begrijpen kan waar dit vandaan komt heeft waarschijnlijk een belangrijke stap gezet op weg naar het doorgronden van deze voor ons soms zo raadselachtige mensen.

Semporna is een vissersdorp op de spreekwoordelijke steenworp afstand van zowel Indonesië als de Filippijnen, en het vertrekpunt voor duikers uit de hele wereld die op weg zijn naar de beroemde koraalriffen van het eiland Sipadan, zoals wij dus. Door al deze invloeden heeft het dorp de uitstraling van een grensstadje met een plezierige mengeling van oud en nieuw, inheems en internationaal, waar best wat meer tijd door te brengen zou zijn. Dat zou ook wel kunnen. Op Sipadan mag sinds kort niet meer overnacht worden, en de alternatieven bestaan hoofdzakelijk uit het nabijgelegen eiland Mabul en Semporna op het ‘vasteland’ (Borneo is zo groot dat je bijna zou vergeten dat het een eiland is). Wij hebben gereserveerd op Mabul, dus we blijven net lang genoeg in Semporna om de komende week te betalen en in de boot te stappen.

De week die we hebben doorgebracht in Uncle Chang’s backpacker resort op Mabul bestond uit allemaal dagen die in grote lijnen op elkaar leken, zoals we dat ook van andere duikvakanties al kenden. Er was geen luxe, wel sfeer. De duiken op Sipadan waren fantastisch. We begonnen over het algemeen vrij diep en lieten ons met de stroming meedrijven langs al het moois. Dan kwamen we terug naar boven, om nog lange tijd te genieten van het licht, het goede zicht en de kleuren van al het moois dat op geringe diepte te zien was. Eindeloos veel schildpadden die lagen te slapen, rondzwommen (vaak met een ronde vleermuisvis in hun kielzog of remora’s onder hun buikschild), aten of zich lieten schoonmaken (waarbij ze een dromerige blik in de ogen kregen, ongeveer zoals Charlotte wanneer ze een voetmassage krijgt), witpuntrifhaaien die tot vlakbij benaderd konden worden of die, wanneer je stil wachtte, naar je kwamen kijken, een manta die voorbij kwam (iets om stil van te worden), en al het kleinere, kleurrijke spul waar je eindeloos naar kunt zitten kijken en waarmee je, denk ik, alleen duikers kunt interesseren.

Ook rond Mabul hebben we gedoken, en daar waren weer hele andere soorten te zien, kleiner spul dat zo goed gecamoufleerd was dat het voor een ongeoefend oog bijna niet te vinden was. Charlotte heeft dat wat meer gedaan dan ik, aangezien een slepende verkoudheid mij uiteindelijk aan wal hield. Al op de eerste dag was haar gevraagd of zij instructrice of divemaster was, omdat ze zo’n prachtige, beheerste duikstijl heeft, en de divemasters hadden er zichtbaar plezier in haar mee te nemen en haar hun geheime zeewezens te laten zien.

Bijna alle accomodatie op de eilanden rond Sipadan bestaat luxe vakantieparken voor mensen die veel geld betalen voor een lange vlucht en één of twee weken duiken. Uncle Chang’s is de enige plek in de buurt van Sipadan die betaalbaar onderdak biedt op een eiland, en daardoor trekt het vooral mensen die maanden of jaren op reis zijn en voor wie duiken een luxe is die ze zich niet te vaak kunnen veroorloven. De meesten bleven een dag of twee, namen deel aan de duiktrips overdag en de feestelijkheden die ’s avonds spontaan ontstonden, en gingen dan weer verder. Verhalen werden uitgewisseld, spellen gespeeld, muziek gemaakt. Het personeel kwam ’s avonds op gang en bespeelde dan een gitaar met vijf snaren en een drumstel gemaakt van emmers en bekkens die duidelijk betere tijden gekend hadden. Slapen viel niet altijd mee bij al die vrolijkheid…

Al met al was het de moeite waard, maar niet iets waar we lange tijd willen doorbrengen. Nu dus weer terug in Semporna, tussen de marktstallen die vers fruit verkopen, de waterkant waar ’s avonds gado gado en saté bereid wordt, een hotel met warm water en draadloos internet en een café waar ijskoud bier geschonken wordt. Geen wijn, helaas. Hier wachten we totdat op maandag in Tawau het Indonesisch consulaat geopend is, omdat volgens de berichten daar het visum verreweg het snelst en het goedkoopst geregeld kan worden. Hier ook komen we bij van onze verkoudheden (Charlotte heeft gewacht met echt verkouden worden tot na de laatste duik), en krijgen kleine ongemakken die tot het dagelijks leven zijn gaan behoren (insectenbeten, wondjes e.d.) de tijd om minder aanwezig te worden. We vliegen op 6 november naar Manilla. Wat we tot die tijd gaan doen? Geen idee. Wijst zich vanzelf nog wel.