‘Vervelend hè?’, zegt een oudere Engelsman half berustend.

‘Nee hoor’, antwoord ik glimlachend.

Het is intussen de dag nadat we in de Filippijnen zijn aangekomen. We hebben het plan opgevat naar Puerto Princesa te vliegen en van daar op de één of andere dag door te gaan naar El Nido, waar een aantal eilanden voor de kust liggen die kennelijk alleen in superlatieven te beschrijven zijn. Hoe we er precies gaan komen weten we nog niet. Vliegen is relatief duur en de vluchten zijn sowieso vol, en bussen doen negen uur over een traject waarover alleen maar griezelverhalen verteld worden. We zien het wel als we aankomen in Puerto Princesa. Alleen zijn we daar voorlopig nog niet. Het vliegtuig had om tien uur moeten vertrekken. Om kwart voor tien zien we hoe de bagage uit het vliegtuig gehaald wordt. Even na tienen wordt uitgelegd dat het vliegtuig voor onze veiligheid een onderhoudsbeurt krijgt en dat het vertrek vijf en een half uur wordt uitgesteld.

De Engelsman heet Dave en is met zijn Filippijnse vrouw Tina onderweg naar Port Barton, waar ze een resort hebben, om de volgende dag door te gaan naar El Nido, waar ze een tweede resort gaan openen. Hij is ons komen vertellen over de resorts, maar wij zijn meer geïnteresseerd in hun reisplannen. Ze hebben een busje gehuurd om ze naar Port Barton te brengen (twee en een half uur), en een boot die ze in vier uur naar El Nido moet brengen. Ik probeer hem de kans te geven ons voor te stellen samen verder te reizen, aangezien het om hun resorts gaat, maar hij reageert niet op mijn misschien te subtiele hints. Charlotte vraagt het uiteindelijk gewoon: kunnen we mee? Ja hoor, kan.

Dave is net overgekomen uit Engeland, waar zijn vrouw en hij nog steeds wonen, en hij heeft moeite met de vertraging die ervoor zorgt dat hij een afspraak met een advokaat gaat missen. ‘Het is toch al zo bijzonder een afspraak te kunnen maken, meestal krijg je ze niet eens te pakken!’ Zelf word ik er niet warm of koud van, stel ik met plezier vast. Er is zoveel te doen: boek lezen, muziek luisteren, praatje maken, kaartje leggen, koffie drinken. Of gewoon niks doen. En we zijn niets van plan dat niet tot morgen uitgesteld kan worden.

We hebben gelezen dat Filippino’s misschien wel de gelukkigste mensen in de wereld zijn, omdat ze tegenslag accepteren met een glimlach. Ik stel me voor hoe onze medepassagiers op een dergelijke vertraging zouden reageren in Europa. Enkelen zouden gelaten zijn. Anderen geërgerd of zelfs kwaad. Maar wat schiet je er mee op? Het vliegtuig gaat er niet eerder van weg. Je wordt niet gelukkiger van boos worden. Ik kijk om me heen en zie mensen slapen, en anderen praten en lachen. Vanochtend heb ik me nog even geërgerd, omdat we niet werden toegelaten tot het vliegveld. We hadden een electronisch ticket, en moesten eerst langs het kantoor van Philippine Airlines om een papieren ticket te laten uitprinten. Alleen werden we ook daar bijna niet toegelaten, omdat PAL om tien uur geen vlucht had naar Puerto Princesa. Ik dacht: ben ik nou gek? Ik had toch echt bij PAL gereserveerd. Bleek de vlucht die ik bij Philippine Airlines had gereserveerd uitgevoerd te worden door Air Philippines. Bij de gate stond het goed vluchtnummer, maar een andere bestemming. Ik ging navragen en zag dat even later de bestemming werd bijgesteld. Dat soort dingen, die goed geregeld lijken maar in werkelijkheid een zooitje zijn, daar heb ik nog steeds moeite mee. Maar uren wachten omdat het vliegtuig kapot is, dat gaat me al heel aardig af. Inderdaad, als je je niet druk maakt, voel je je veel beter.

Bij aankomst in Puerto Princesa, aan het eind van de middag, staat het busje te wachten. We halen eerst nog een hoop geld uit een pinautomaat, omdat we die de komende tijd niet meer zullen tegenkomen, Dave en Tina doen wat boodschappen, en dan kunnen we op weg. Dave heeft ons ervoor gewaarschuwd dat hij niet weet hoe lang de reis precies zal zijn. In de droge tijd is het twee en een half uur, maar het loopt nu tegen het einde van de natte tijd, en het laatste stuk gaat over onverharde wegen.

Over de verharde weg schieten we in ieder geval goed op, al is het flink uitkijken geblazen voor mensen die op de rand van de weg zitten en in het donker bijna niet te zien zijn, en honden die ook midden op de weg zitten. Op een gegeven moment stoppen we. We worden gevraagd over te stappen in een ander busje, dat meer geschikt is voor de onverharde weg die we in gaan slaan en waar ook nog iemand instapt die we tot dan niet gezien hebben. Ook de onverharde weg valt mee. Op sommige stukken kunnen we wel vijftig, zestig rijden. Dan wordt het spannend. De weg bestaat uit meer en meer modder, waar diepe geulen doorheen lopen. Zolang onze wielen die geulen volgen, blijven we makkelijk op de weg, maar de bodem van het busje schuurt herhaaldelijk over de hogere middenstukken. Proberen we daar overheen te rijden, dan zakken we tot de assen weg, en richting houden wordt ernstig bemoeilijkt. Soms is gas geven en hopen dat we niet blijven steken de enige manier om vooruit te komen, dan weer moet langzaam en beheerst de blubber worden bedwongen, om niet met een gebroken as in een kuil te blijven staan. Wat voor ons door de koplampen verlicht wordt ziet er indrukwekkend uit, en zonder vierwielaandrijving waren we allang blijven staan.

We stoppen weer. Nu wordt duidelijk waarom de extra persoon is ingestapt. Hij neemt plaats achter het stuur en manoeuvreert ons van de weg af, een privé-terrein op. De ‘weg’ waar we op zaten wordt verderop helemaal onbegaanbaar, en hij weet een manier om daaromheen te komen. We snappen er niet veel meer van. Wat wij voor ons zien is geen pad, maar een hoop gebladerte dat wonder boven wonder blijft wijken als we erdoorheen rijden. Het terrein is even modderig als het pad waar we vanaf kwamen, maar bovendien helt het. Al slingerend, zijwaarts slippend, gas gevend en inhoudend weet onze chauffeur zich een weg te banen door iets dat alleen door zijn bovennatuurlijke stuurmanschap nog berijdbaar blijft. Wat hier gebeurt kan helemaal niet, dit tart alle natuurwetten, maar naarmate deze wetten langer getart worden wordt ons vertrouwen in een goede afloop gesterkt.

Ten slotte staan we op een strand. Het bier staat koud, er is zelfs witte wijn, en er komt een uitgebreide maaltijd op tafel. We werden al verwacht.

Charlotte verwoordt wat we allebei voelen: dit zijn toch wel de krenten in de pap, zo’n verblijf in een longhouse en zo’n wilde tocht over een onbegaanbare weg. Dit hadden we vanochtend niet kunnen voorzien. En daar gaat het nou het om. Dit hoort bij onze manier van reizen. We zijn flexibel, we kunnen zo onze plannen veranderen en inspelen op wat we tegenkomen. En deze rit hadden we echt niet willen missen. We horen de volgende dag dat er de laatste tijd bijna niemand is doorgekomen zonder minstens een keer vast te komen zitten.