Er was inderdaad geen internet op Apo Island! Geen gelegenheid dus om u, beste lezer, op de hoogte te houden. Ik pak de draad weer op waar we gebleven waren. Dat was in Puerto Princesa, de hoofdstad van Palawan, waar we overnachtten op weg naar Cebu, Dumaguete en Apo.

Puerto Princesa lijkt een rustig provinciestadje, totdat je een half uur in het centrum hebt rondgelopen. Er rijden bijna uitsluitend driewielige motortaxi’s rond, tweetakt dus, met als gevolg dat je luchtwegen en oren al snel genoeg krijgen van allerlei vormen van vervuiling. Als je daar tenminste, zoals wij Europeanen, gevoelig voor bent.

Nee, dan Cebu City. Bij aankomst op het vliegveld vragen we na of het nog mogelijk is om vandaag naar Dumaguete door te gaan. Dat kan waarschijnlijk nog net, en dat is maar goed ook. Cebu City is groot, erg groot. En druk, erg druk. Een plaats om in aan te komen en snel weer te verlaten. Tijdens de rit naar het busstation volgen de indrukken elkaar in rap tempo op. Tweetakt en viertakt vechten hier om iedere vierkante centimeter. Kruispunten raken verstopt doordat al het verkeer tegelijk probeert alle kanten op te gaan, en er is natuurlijk alleen vooruit, want gewonnen terrein wordt niet prijsgegeven. In de open minibusjes zitten mensen opeengepakt met het gezicht in doeken gedrukt ter bescherming tegen het stof en de uitlaatgassen. Bij aankomst in het busstation blijft het tempo hoog. We zijn al opgevallen voordat we uit de taxi stappen, en een horde verkopers en behulpzame lieden snelt op ons af. Ze proberen om het hardst ons mee te trekken naar bussen die volgens hen de goede kant op gaan, en daarbij aarzelen ze niet om hele verschillende kanten op te wijzen. Het lijkt ons beter weerstand te blijven bieden aan degenen die proberen onze bagage uit onze handen te trekken, voor het geval dat ook die verschillende kanten uit gaat. Op de één of andere manier raken we verzeild in een bus die op het punt staat te vertrekken, en waarvan men ons verzekert dat die de goede kant op gaat, al is niet iedereen het eens over de bestemming. Die bus is zo goed als vol, wat wil zeggen dat alle stoelen bezet zijn en op de meeste van de plastic krukjes die in het gangpad zijn neergezet al mensen zitten. Wij krijgen de laatste krukjes.

De rit die volgt en die het eerste uur alleen maar door stedelijk gebied gaat doet niet onder voor de reis naar Port Barton van een dikke week geleden. Hier geen onverharde wegen met modder waar bijna niet doorheen te komen is, maar een levensecht computerspel waarbij het doel schijnt te zijn zo snel mogelijk langs de hindernissen te komen, met zo weinig mogelijk strafpunten. De weg moet gedeeld worden met de driewielige taxi’s, sommige gemotoriseerd, andere in fietsvorm, en de minibusjes die op onvoorspelbare momenten stoppen om passagiers mee te nemen of uit te laten stappen. Het leukste is natuurlijk om bij het laveren om die obstakels geen snelheid te minderen, en als dat betekent dat de weghelft van het tegemoetkomende verkeer moet worden gebruikt dan moet dat maar. Af en toe wordt dankbaar gebruik gemaakt van de remmen, en we realiseren ons dat het niet vanzelfsprekend is dat die het doen wanneer we de bestuurder van een fietstaxi zien remmen door een voet op het achterwiel te drukken. Eigenlijk kan dit helemaal niet blijven goed gaan, maar dat doet het wel, en na een poos raken we daaraan gewend, net zoals we eraan gewend raakten dat dat busje naar Port Barton iedere keer weer door onbegaanbare plekken heen bleef komen.

We komen bij een eindpunt waar iedereen uitstapt, dus dat doen wij ook maar. Het is intussen donker geworden en we vragen ons af waar we gaan slapen, maar iedereen loopt naar een loket, dus daar zal wel iets te doen zijn. We doen mee, we zien wel waar we uitkomen. Twee, graag. De kaartjes die we kopen blijken voor een boot te zijn. Die vaart een minuut of twintig lang en komt ergens aan. Daar staan minibusjes klaar. Iedereen stapt in. Wij volgen weer het voorbeeld. Weer een kwartier later zijn we in… Dumaguete. Hee, daar wilden we heen!

Want daarvandaan gaat de boot naar Apo Island, dat geroemd wordt als één van de mooiste duikplekken van de Filippijnen. Een slaapplaats is snel genoeg gevonden, en we gaan nog even wat eten. Er zitten wat Engelse zestigers gebogen over hun Filippijnse rum met cola zichtbaar geroutineerd het gesprek van de vorige dag voort te zetten. Wat later komen er wat achtien-, negentienjarige Amerikanen langs, sommige van hen te dronken om op hun benen te kunnen staan. We horen later dat er twee oorlogsschepen vol Amerikaanse militaire adviseurs zijn binnengelopen, op weg naar Mindanao om de Filippijnse regering bij te staan in de strijd tegen de rebellen. Enkele van deze militaire adviseurs hebben zichzelf vanavond in ieder geval buiten gevecht gesteld.

Apo Island blijkt een handzaam eiland te zijn, met twee resorts en een dorpje vol dorpelingen die leven van de visvangst en het duiktoerisme. Het is veel te klein om te overwegen je op een andere manier voort te bewegen dan te voet, en aangezien de generator op een plek staat waar we hem niet kunnen horen, er verrassend weinig hanen zijn en de stroom (en dus het licht) om negen uur ’s avonds uitgaat is het geruis van de zee het enige geluid waarbij we ’s avonds in slaap vallen. Die zee is trouwens een ware schatkamer. Rondom het eiland liggen op geringe diepte uitgestrekte koraalriffen, die vervolgens overgaan in steile wanden en hellende zandbodems. Op sommige plaatsen staat een sterke stroming, waar je in kunt gaan hangen om het landschap aan je voorbij te zien trekken, op andere plaatsen is er geen stroming, zodat je rustig de tijd kunt nemen om iets bijzonders uitgebreid te bestuderen. Er is koraal in alle mogelijke vormen en kleuren, er is zoveel vis dat je helemaal niet weet waar je moet kijken, en vaak is het zicht beter dan we ooit ergens anders gezien hebben. We zoeken de roofvissen op die in de stroming hun kans afwachten om toe te slaan, en kleurige samenscholingen die nooit gaan vervelen, en schuwe visjes die bijna niet buiten hun schuilplaats te zien zijn, en perfect gecamoufleerde wezentjes die je bijna niet kunt vinden als je niet precies weet waar je moet zoeken. We komen bijna twee meter lange barracuda’s tegen, vinden mandarijnvisjes die zich diep in het koraal verstoppen, brengen bezoekjes aan ‘frogfishes’ die niet kunnen zwemmen en dus maar stil op één plek zitten ‘hengelen’ met iets dat op visvoer moet lijken maar dat niet is, stuiten op vissen die als een blad over de bodem dwarrelen of de kleur en textuur van hun achtergrond aannemen, en hoe dat allemaal in het Nederlands heet weet ik ook niet.

De dagen volgen elkaar op en lijken op elkaar. In het begin wordt het gebrek aan internet nog als een gemis gevoeld, maar al gauw is het ritme van duiken-eten-praten-slapen voldoende om dag na dag te vullen en verder niets nodig te hebben. Zelfs het wat grillige weer kan de rust niet verstoren. De eerste dagen regent het veel, maar aangezien ‘het’ allemaal onder water gebeurt maakt dat niet uit. Daarna steekt er af en toe een flinke wind op die de zee in beweging brengt, om even plotseling weer te gaan liggen. Er wordt gesproken van een tyfoon die in het noorden van het land verwacht wordt of misschien al voorbij is gekomen, niemand weet er het fijne van. Voor ons betekent dit hooguit dat het lastig is in de boten te komen, en van de boten op het land, maar eenmaal onder water is er weinig dat ons herinnert aan wat daarboven gebeurt.

Ten slotte schudden we onszelf eens wakker, anders blijven we weken of maanden op dit eiland, of jaren, zoals Paul, de Engelse eigenaar. Een bewogen overtocht naar Dumaguete met een klein scheepje op een onrustige zee, een uurtje in een internet-café, en straks gaan we door naar Bohol, naar het eilandje Cabilao, of iets dergelijks, het is nu nog niet meer dan iets waar we over gehoord hebben. Eigenlijk was het plan noordwaarts op Cebu te gaan, naar Malapascua. We hebben verschillende mensen gesproken die er geweest zijn en die allemaal hetzelfde vertellen: mooi eiland, alle koraal weggebombardeerd, vissen met dynamiet gaat nog steeds door vlak bij duikers, en om de grote publiekstrekker, de thresher shark, te zien moet je nummertjes trekken en heel veel geluk hebben. Laat maar, dus. Dat vissen met dynamiet, dat moet eens afgelopen zjin. Op Apo zijn ze daar dertig jaar geleden mee opgehouden, toen er geen koraal meer was en de vissers zich genoodzaakt zagen andere eilanden leeg te bombarderen. Vanuit een universiteit kwam een verfrissend nieuw idee dat leidde tot de instelling van ‘s lands eerste ‘sanctuary’ waar koraal met rust gelaten moest worden. Het heeft, volgens het hoofd van het dorp op Apo, een jaar of tien geduurd voordat iedereen ermee akkoord ging, maar nu houdt iedereen zich aan de beperkingen op de visvangst, en met de komst van duikers werd een nieuwe bron van inkomsten ontdekt. Het is een bijzonder dorp. De hutten hebben tuinen die bijgehouden worden, de mensen leggen met zijn allen betonnen voetpaden aan, en overal zijn tekenen van gemeenschapsprojekten. Er moet een zeldzame combinatie van leiderschap, visie, gemeenschapszin en externe omstandigheden aan te pas gekomen zijn om deze oase tot bloei te brengen. Denk ik.