Gelukt, foutloos parcours, maandag met het vliegtuig heen naar Banda, maandag erop met het vliegtuig terug naar Ambon. Niet van die avonturen die ons verteld waren, met geannuleerde vluchten en veerdiensten, en overtochten aan boord van vrachtschepen waar je mag slapen in de kajuit van matrozen die de nacht op het dek doorbrengen en zo.
Maar even terug naar het begin van de week, waar we Ambon verlaten om naar Banda te gaan.

Als je twaalf euro betaalt voor een vlucht van bijna een uur kun je verrassingen verwachten. De eerste verrassing is dat de vlucht niet is geannuleerd. De tweede is dat het vliegtuig niet vol is. Met dertien passagiers kan misschien net de brandstof betaald worden. En de derde verrassing is een grote verrijdbare accu waarmee de eerste motor gestart wordt en die vervolgens gewoon in het gangpad van het vliegtuig gezet wordt. Deur dicht, gaan. Ik ben een beetje gegeneerd. Heb ik net tegen Charlotte gezegd dat ik liever heb dat ze haar handbagage onder de stoel zet i.p.v. het op schoot te houden (om te voorkomen dat het bij turbulentie e.d. rond zou kunnen vliegen), staat er honderd kilo accu op wielen naast me, zonder remmen, zonder te zijn bevestigd, gericht op de open cockpit waar het ding gegarandeerd naartoe gelanceerd wordt als er even flink geremd wordt of de daling wordt ingezet. Om aan turbulentie nog maar helemaal niet te denken. We zetten het gevaarte maar achter onze stoelen klem, in een rij waar niemand zit. En de vlucht verloopt gelukkig zonder verdere verrassingen.

Banda. Eerste indrukken? Je hebt van die mensen die, zodra ze aankomen op een plek waar ze nooit eerder geweest zijn, meteen iets uitroepen in de trant van: dit doet me denken aan… (vul maar in)! Zal wel iets menselijks zijn om het onbekende minder eng, minder ongrijpbaar, minder… onbekend te maken. Toen ik voor het eerst op het terras van ons guesthouse kwam en uitkeek over wat een meer leek te zijn (maar in werkelijkheid een natuurlijke haven is die wordt omzoomd door eilanden) dacht ik: Kashmir. Om meteen daarna te bedenken dat in Kashmir geen Molukkers wonen en dat de horizon in Kashmir niet wordt gedomineerd door een vulkaan. Die vulkaan die in al zijn goedmoedige ronde symmetrie overal aanwezig is. Maak je een foto van de scheepjes voor de deur, staat de vulkaan op de achtergrond. Kijk je naar de zonsondergang, staat de vulkaan er voor. Pittoresk straatje in het dorp: de vulkaan is er bij, weliswaar achter in het beeld, maar toch. Je kunt niet om het ding heen.

We hebben na een paar dagen allebei het gevoel dat we hier een lange tijd zouden kunnen doorbrengen. Dat gaan we niet doen, want het vervoer hiervandaan is onbetrouwbaar, en we willen niet het risico lopen langer te blijven dan ons visum toestaat. We gaan hier dus op tijd weer weg en brengen dan de tijd die ons rest in dit land wel ergens anders door. Maar hier kun je heel snel aan wennen. Ontspannen sfeer, mooie omgeving, aardige mensen, weinig buitenlanders, geen gezeur aan je hoofd, goed eten. ’s Morgens drinken we onze koffie aan het water en kijken we naar de eerste boten die voorbijvaren. Dan gaan we duiken of snorkelen. ’s Avonds, na het avondeten dat we in wisselend gezelschap in ons guesthouse aan het water nuttigen, vallen we al vroeg het bed in. We hebben snel vriendschap gesloten met Bimo, die ons op het vliegveld opwachtte en ons onderdak aanbood. Hij werd vorig jaar verliefd op een Nederlandse en is nu dus Nederlands aan het leren. Wij leren op onze beurt wat Indonesisch, en zo brengen we menig uurtje door met elkaar van alles uitleggen en voorzeggen. Na de eerste duikdag hebben we al besloten niet iedere dag te gaan duiken. Weliswaar is het duiken meer dan de moeite waard: ongerept koraal, prachtig zicht, genoeg vis, geen andere duikers. Maar er zijn ook andere dingen te doen. Snorkelen, bijvoorbeeld, of kanovaren, of de vulkaan beklimmen, oude Nederlandse forten bekijken. We huren een boot voor een dag om ons naar verlaten plekjes te laten brengen, en Bimo heeft toch geen plannen voor de dag, dus hij gaat mee. We varen weg van het dorp en genieten van de zon en het uitzicht. Prachtige plekken om te zwemmen en te snorkelen, en als we onze van te voren gehaalde maaltijden op een klein strandje opeten valt ons oog op de zaden die onder een boom liggen. Eetbaar, zegt Bimo, en hij vraagt aan de schipper om een mes te halen en ons te laten proeven. Die geeft daar meteen gehoor aan, en zo leren we de ketapang kennen, een noot die iets wegheeft van een amandel maar zo moeilijk uit zijn huls te krijgen is dat hij zelfs op de plaatselijke markt niet wordt verkocht. We voelen ons de koning te rijk, op een strand met twee Molukkers, nasi bungkus en noten waar we nog nooit van gehoord hebben. De schipper heeft terwijl we aan het zwemmen waren ook nog ulakir tussen de rotsen gevonden, een soort weekdieren met een stekelige bovenkant, die hij ons aanbiedt als we hem vragen wat het is, maar die hij kennelijk voor eigen gebruik bij elkaar heeft gezocht, en waar we dus vriendelijk voor bedanken.

Ja, we zitten tamelijk afgelegen, en het is allemaal erg exotisch. Het kan natuurlijk nog exotischer. Het kan altijd exotischer. Op de eerste dag, bij het zien van een vaartuigje dat nogal volbeladen komt binnenvaren, zegt Bimo: ‘die komt van de eilanden.’ Van de eilanden. Dachten we in Indonesië al een verre bestemming gevonden te hebben, in Ambon iets heel bijzonders, in Banda het einde van de wereld, hebben ze het in Banda nog over ‘de eilanden’… Ook andere bezoekers zien het zo, weten dat ze hun reis nog niet tot een logische conclusie gebracht hebben, nog niet tot het uiterste gegaan zijn. Zij die hun huiswerk gedaan hebben voordat ze naar Banda kwamen weten dat ze absoluut nog verder moeten, naar Ai of Rhun, kleinere, verder gelegen eilanden van de Banda-groep, waar nog minder mensen komen dan in Bandaneira, het Banda-eiland waar het belangrijkste dorp gevestigd is. En daarna naar Kei, dat de mooiste stranden van de wereld heeft, nee, echt. Ik voel die behoefte niet zo. Het bevalt me prima in Bandaneira, en dat is genoeg. Het gaat nog wat verder trouwens. Er zijn mensen die over de hele wereld gedoken hebben en die ons en elkaar vertellen over de mooiste duikstekken waar ze geweest zijn en de bijzondere waterdieren die ze daar gezien hebben. Anderen, niet-duikers, verzamelen reisbestemmingen alsof het jachttrofeeën zijn en wisselen, terwijl we op een verlaten strand op een prachtig eiland in de Banda-Zee zitten, ervaringen uit over safari’s in Afrika en treks in Bhutan. De grote boodschap die bij dit alles doorklinkt is: dit hier is wel mooi, hoor, maar waar het echt mooi is (en waar de verteller geweest is)…   De mooiste duikbestemming is ergens anders. De meest bijzondere plaats om naartoe te reizen is ergens anders. Dit is vermoeiend, dit is een wedstrijd die niet te winnen is. Ik heb niet zo’n zin om achter de fata morgana’s die anderen me voorspiegelen aan te hollen. Terwijl ik dit schrijf kijk ik vanaf het terras uit over wat nog steeds lijkt op een meer, waar af en toe een scheepje voorbij komt varen en de vulkaan rustig op zijn plaats staat. En wil op dit moment helemaal nergens anders zijn.

Op één van onze niet-duikdagen huren we een kano, een prachtig stuk werk dat bestaat uit een uitgeholde boomstam en twee handgesneden pagaaien. Er staat meer wind dan anders en er valt af en toe een kortdurende bui, dus we kijken het even aan, laden dan uiteindelijk de snorkelspullen en de lunch in het vaartuigje en beginnen te peddelen. Het valt niet mee, de wind en de golven drukken ons weg, en onze vorderingen wekken de nodige hilariteit op bij de opvarenden van passerende motorvaartuigen, die ongetwijfeld allemaal veel bedrevener zijn in de omgang met de kano dan wij, maar die wijselijk voor een minder omslachtige overtocht gekozen hebben. Nadat we een poosje geprobeerd hebben onder de beschutting van de kust vooruit te komen maken we rechtsomkeert en slagen er wonderwel in bij het guesthouse aan te meren. Even later horen we de regen op het dak roffelen en gaan we buiten kijken. Het is aan het hozen. Zonder waarschuwing komen er opeens enorme windvlagen voorbij. De overkapping van het terras explodeert en wordt door de wind meegenomen. Een dergelijk noodweer hebben we al heel lang niet meer gezien. Na een poosje wordt het rustiger, maar de zin in kanovaren is intussen een beetje voorbij.

Intussen moet ik dingen die ik eerder geschreven heb een beetje herzien, of op zijn minst nuanceren. Ik had iets gezegd over Molukse moslims en christenen die na de val van Suharto een oude rekening konden vereffenen door elkaar te lijf te gaan, en over de daaruit voortvloeiende splitsing van een noordelijk deel dat overwegend islamitisch is en een zuidelijk deel waar meer christenen wonen. Nou viel het me al op dat die splitsing helemaal niet zo duidelijk was. In Ambon staan veel kerken, maar ook veel moskeeën. Verder zuidelijk, op de Banda-eilanden, is de bevolking hoofdzakelijk islamitisch, maar wonen ook christenen. Bovendien bekroop me iedere keer dat er over de troebelen van 1999 tot 2002 gesproken werd het gevoel dat de onlusten werden gezien als iets dat uit zichzelf gebeurde, een soort natuurverschijnsel, waar niemand verantwoordelijk voor was. Dat breng ik dus op, en daarop krijg ik iedere keer hetzelfde antwoord: de onlusten waren vanuit Jakarta geregisseerd. Moslims en christenen hebben honderden jaren lang samengeleefd, en gemengde huwelijken zijn heel gewoon, dus waarom zouden ze elkaar nu opeens in de haren vliegen? Volgens de mensen die ik erover gesproken heb zouden provocateurs op de eilanden gekomen zijn op last van de zojuist afgezette Suharto, die op die manier had willen aantonen dat hij onmisbaar was voor de rust en veiligheid in het land, volgens een onnavolgbaar soort logica. Als jullie mij terug laten komen zal ik ervoor zorgen dat er een einde komt aan de onrust. Die ik zelf in scène gezet heb. Maar ja, hoe het nou echt zit, daar zullen we wel nooit achter komen.

We zijn nog een dagje naar Pulau Ai geweest met een zelf gecharterde boot. Mooi eiland, hoor. We kwamen terug met een heleboel mensen die ons vroegen of ze alsjeblieft mee naar Bandaneira mochten. Maar verder echt best wel een mooi eiland.

Het reserveren van de terugvlucht ging erg informeel in zijn werk. We kwamen op een lijst van mogelijke passagiers te staan; op die lijst stonden meer mensen dan er plaatsen beschikbaar waren. Een dag voor vertrek hoorden we via-via dat er bij iemand thuis betaald kon worden, waardoor onze plaatsen vastgelegd werden. Een ander Nederlands stel, dat te laag op de lijst stond, kreeg plaatsen door de dubbele ticketprijs te betalen. Waarna bleek dat die plaatsen toch al vrij waren gekomen doordat anderen hadden geannuleerd. Op de dag van vertrek werden op het vliegveld de tickets uitgeschreven en werd het gewicht van de bagage geschat. En het vliegtuig kwam, we namen emotioneel afscheid van Bimo, en we vlogen weg.

De brommerrijder die me naar het vliegveld had gebracht had me nog gevraagd hoe ik zijn eiland vond. Mooi, had ik gezegd, en hoe vond hij zijn eiland zelf? Ach weet je, had hij geantwoord, jullie komen uit een grote stad, jullie vinden rust fijn. Ik woon op een rustige plek, ik wil wel naar de grote stad. Waar zou je heen willen, had ik gevraagd. Ambon, was het antwoord.

Bimo niet, die heeft al in Ambon gestudeerd, die is zijn wilde haren wel kwijt, die is gelukkig op Banda. Wil je weten hoe rustig Banda is? We hebben er drie auto’s gezien, en ons afgevraagd wat er het nut van kon zijn. Eén ervan was van het enige hotel op het eiland, een andere van de politie en de derde was een ambulance. Op de voorkant van die ambulance stond het woord ‘ambulance’ in spiegelschrift. Bimo vroeg me waarom dat was. Denk daar maar eens over na, en stel je voor hoe je uitlegt aan iemand die woont op een eiland dat zo klein is dat iedereen loopt, waar drie auto’s staan en een handvol brommers rijden waarom het woord ‘ambulance’ in spiegelschrift geschreven is.

We hebben het vaker gezegd. Maar naar Banda gaan we echt, echt nog eens terug. En dan een stuk langer.