Tegen het eind van de ochtend zat ik op een bankje aan de rivier in de schaduw van een banyan mijn boek te lezen, toen ik werd aangesproken door een Thai. Nou word je in Thailand zelden aangesproken. Hooguit in gebieden met veel toerisme, door Indiase kleermakers die alles aanspreken wat beweegt, of taxichauffeurs van het slag dat de meter niet wil gebruiken en liever drie keer het gangbare tarief hanteert. Gewoon voorbij lopen, niets aan de hand. Bedelaars zittten hier en daar zwijgend op de stoep, grijsaardjes, jonge moeders, mensen met zichtbare lichamelijke defecten. Ze hoeven niets te zeggen, hun conditie spreekt duidelijke taal. Waarom dan sprak deze vriendelijk ogende, bedeesde man me aan?
Het gesprek ging al gauw over geen werk hebben en dus geen geld en dus honger. Ik stelde voor om samen wat te gaan eten, en hij ging meteen akkoord. Terwijl we aten vertelde hij dat hij taxichauffeur was geweest in Bangkok, en timmerman in Ayuthaya, maar dat hij nu geen werk kon vinden en geen familie in Bangkok had, en dus genoodzaakt was aan de rivier te slapen, zich in de rivier te wassen en iedere dag te zien hoe hij aan eten kwam. En hij vroeg honderduit over mij en over Nederland. Het was een dankbaar, vermoeiend gesprek. Mijn Thais bleek beter dan zijn Engels, maar alle grenzen van mijn kennis van de taal werden verkend. Tot slot gaf ik hem wat geld voor het  avondeten en ging terug naar mijn hotelkamer om woorden op te zoeken die ik tijdens het gesprek niet had herkend of niet had gevonden en om uit te rusten van de inspanningen.

Vlak daarna, toen ik weer naar beneden ging, vroeg een Engelsman me om hulp. Hij voelde zich niet goed, hij had hartkloppingen, durfde de trap niet af en wilde iemand hebben om op te leunen. Tuurlijk, geen probleem. Zijn adem was jachtig, bij iedere ademstoot vormde zich een alcoholwalm om ons heen. Passief drinken mag zoiets heten, denk ik. Zijn gebaren waren nerveus, ongecontroleerd, en hij zei dat hij bang was dat hij een hartaanval ging krijgen. Nee hoor, nee nee nee, jij krijgt geen hartaanval, maak je geen zorgen. Heb je dit eerder gehad? Gebruik je medicijnen? Weet je wat, we gaan je naar een ziekenhuis brengen. Maar eenmaal beneden liep hij wat rondjes en zei dat het stukken beter ging. Geen ziekenhuis, nee hoor, alles onder controle. Oké, jouw lijf, your life.

Op de één of andere manier gesterkt door deze voorvallen ging ik de stad in, nieuwsgierig naar de volgende ontmoeting. Klaar om opnieuw een helpende hand toe te steken. Er gebeurde niets meer.

Niets meer. Dat is natuurlijk een anticlimax; ging dit hele verhaal dan nergens naartoe? Nee, inderdaad, het ging nergens naartoe. De werkelijkheid gedraagt zich niet altijd volgens de wetten van de verhaalkunst die voorschrijven dat een verhaal een geloofwaardig, coherent einde moet hebben.
Wel blijf ik zitten met allerlei vragen. Het gaf een goed gevoel om concrete hulp te kunnen geven. Is er hoop voor deze min of meer verstokte egoïst, die eerder geprobeerd heeft anderen van dienst te zijn, maar er zelf niet in geloofde, en faalde? Zijn er manieren van helpen die voor mij werken? En waarmee ik anderen oprecht van dienst kan zijn? En kan ik deze voorvallen eigenlijk wel vertellen zonder (ten onrechte) de indruk te wekken dat ik trots ben op wat ik dit gedaan heb? Want trots: niet goed. Zelfingenomenheid: niet goed. Leren, leren, leren: wel goed.

Ik zie de Engelsman voorbij komen. Hij is nog steeds erg nerveus. Ik heb met hem te doen, maar kan niets voor hem betekenen. Ik denk aan de Thai, die zo meteen gaat slapen bij de rivier, die het koud gaat krijgen wanneer de temperatuur daalt naar 24 graden, en die door muggen gestoken gaat worden, maar die morgen gewoon weer verder gaat. Daar zitten lessen.

En naast me, terwijl ik met dit verhaal bezig ben, zitten twee aantrekkelijke vrouwen die iets te intiem met elkaar zijn. Aantrekkelijk, en openlijk intiem: de tijden veranderen. Maar dat is een heel ander verhaal.