…en Charlotte is allang weer terug in Nederland, de tijd leek stil te staan toen ze er was, maar hij ging stiekem toch door… De tijd is een rat.

Kuala Lumpur is een soort Parijs. En de rest van Maleisië is een soort province. Niet dat er buiten Kuala Lumpur een grappig soort Maleis gesproken wordt, dat bij de toehoorder weemoed oproept naar pastis en pétanque. Nee, dat niet. Maar neem bijvoorbeeld dit: in Penang staat de Komtar, een toren van een zestigtal verdiepingen, waar penangenaren erg trots op zijn, die vanuit de verre omtrek gezien kan worden en als herkenningspunt dient, en van waar je niet alleen de oude binnenstad kunt overzien, maar zelfs grote delen van het eiland. In Kuala Lumpur staan de twee torens van het Petronas gebouw, dat enige tijd het hoogste gebouw in de wereld was, maar waar je nooit goed zicht op krijgt, vanwege de hoge gebouwen die in de weg staan. Of dit: de herinnerig aan ons verblijf in Sarawak en Sabah, het oerwoud, het eten dat bestond uit everzwijn en varens die uit dat oerwoud gehaald moesten worden, het oude, over haar hele lijf getatoeëerde vrouwtje met haar tuitvormige, zelfgedraaide sigaret in de mond en het geweer over de schouder, dat vrouwtje dus dat haar net geschoten everzwijnen kwam verkopen. Zet dat af tegen de hoofdstad waar het verkeer zich op meerdere niveaus tussen de hoogbouw door probeert te wurmen, waar moderne winkelcentra met elkaar wedijveren, en waar merken zijn doorgedrongen, en dus reclame.

Ah, reclame. Kuala Lumpur heeft de commercie omarmt als ware het het evangelie. Het straatbeeld wordt beheerst door levensgrote posters waarop lifestyle-attributen worden aangeprezen. De stations van de monorail zijn ieder geadopteerd door een merk, dat in de trein ook plichtsgetrouw wordt aangekondigd vlak voordat het station wordt aangedaan. Mijn hotel is een geen-fratsen-hotel, opgezet door de geen-fratsen-luchtvaarmaatschappij Air Asia. Als je de lobby binnenkomt zie je meteen de Seven-eleven winkel en de Subway broodjeszaak. De wanden van de lift zijn behangen met reclame. De verdiepingen hebben allemaal eigen kleurschema’s, waar de naam van de verffabricant bij vermeld staat. Het eerste wat ik zie als ik mijn kamer binnenkom is een reclame voor Maggi instant noedels. Boven mijn bed hangt kunst, volgens de goede traditie van goede hotelkamers: een schilderij waarop een hamburger, een telefoonnummer, en de mededeling dat McDonalds 24 uur per dag zo’n hamburger kan komen bezorgen…

Het doet me denken aan een training die ik een paar jaar geleden deed, na afloop waarvan de deelnemers werd gevraagd hoeveel familieleden en vrienden ze gingen meenemen naar de volgende informatieavond, want dat kado mocht je ze niet onthouden. Voor wie nog aarzelde werd deze schaamteloze zieltjeswinnerij goedgepraat door het te vergelijken met een koekjestrommel: niemand is verplicht er iets van te nemen, maar je moet het wel aanbieden.
In tegenstelling tot de rest van Maleisië zijn in Kuala Lumpur de koekjestrommels rijkelijk aanwezig. En net als in andere landen waar ze deel uitmaken van het dagelijks leven gaan de trommels die me de hele dag in mijn gezicht worden geduwd aardig tegenstaan.

Gelukkig kun je je eraan onttrekken. Er bestaan, ook hier, plekken waar eetkraampjes regionale specialiteiten aanbieden, in plaats van merknamen. Er zijn plekken waar de geest van de kampung overleeft. Er zijn aanwijzingen dat de bevolking, net als in Parijs, de banden met het platteland en de traditie beschouwt als iets kostbaars. Misschien dat zelfs de reclamemakers daarop in gaan spelen…