(verkopers van accessoires in de rosse buurt)

Het mag dan een grote stad zijn, maar eigenlijk zijn het heel veel kleine stadjes. Door rond te lopen kom je gemakkelijk van de ene wijk in de volgende terecht, en de verschillen zijn soms treffend, al kan de overgang subtiel zijn. Klein India begint ergens, op het moment namelijk dat je je realiseert dat er meer sari’s rondlopen dan hoofddoekjes, en dat er overal stoffenwinkels zijn, maar waar die overgang precies heeft plaatsgevonden is moeilijk te zeggen. Als ik vanuit mijn hotel van klein India wegloop komt me een te lange, slanke vrouw in een sari tegemoet. Terwijl we elkaar kruisen zie ik dat ze me een knipoog geeft, en dat haar gezicht iets masculiens heeft. Even verderop, om de hoek, staan op tafels genotsmiddelen uitgestald: spaanse vlieg, vibreerringen, condooms. Nog iets verderop staan vrouwen met lang haar en korte rokjes tegen een gevel geleund; ze hebben mannelijke gelaatstrekken en noemen me ‘dalling’ en maken suggestieve gebaren. Weer iets verder begint de Chow Kit markt, waarvan gezegd wordt dat het de grootste markt van Kuala Lumpur is. Vlak daarachter ligt een gebied met vervallen huizen en iets dat lijkt op oerwoud. Ik heb af en toe het gevoel dat ik in een film van Ridley Scott terecht ben gekomen.
Tussen de woningen liggen wat je achterbuurten zou kunnen noemen, of achterstraten. Net als in Nederland staan rijen huizen met de ruggen naar elkaar, alleen worden ze niet door tuintjes en bergingen van elkaar gescheiden maar enkel door een steeg. Deze stegen zijn de paria’s onder de straten. Hier worden auto’s geparkeerd. Hier zie je de airconditioning uit de panden steken. Hier bevinden zich de keukens van de restaurants die natuurlijk hun ingang aan de andere kant hebben zitten. Uit de keukens stijgen allerlei dampen op en aan de straatkant staan de afwassers hun werk te doen. Hier ligt ook al het afval, in de containers, die dagelijks geleegd worden, maar vooral ernaast, omdat er altijd te weinig containers zijn. De achterbuurt biedt een overdaad aan geuren, en ze zijn niet allemaal plezierig.

Bij Bukit Bintang, onder levensgrote reclameborden, zijn jongens aan het dansen op de maat van muziek die bijna niet te horen is. Op Jalan Sultan Ismail zijn tafels ingericht waar eten wordt klaargemaakt. De gebochelde eigenaar van één van de stalletjes vertelt me dat hij er iedere dag van zeven uur ‘s avonds tot vier uur ‘s ochtends staat. En raadt me aan bij een muziekcafé in de buurt kennis te gaan maken met dangdut, een Maleise muziekvorm die een aanpassing is van Hindi-muziek. Ja, wil ik wel, maar niet vandaag. Vandaag even genoeg indrukken.