De taalproblemen die eigenlijk na aankomst in Japan meteen hadden moeten beginnen blijven nog even uit. Niet omdat ik me zo goed kan redden met het beetje Japans dat ik eerder geleerd heb, maar omdat intussen ook Japan meegestuwd wordt in de vaart der volkeren, en aanwijzingen op de stations en in de treinen niet alleen meer in het Japans vermeld worden.
Maar even terug naar de eerste momenten in het land waar ik de komende drie maanden ga doorbrengen. Na een slapeloze nacht landen we om half zeven ‘s morgens, bij een ochtendhemel van het allerteerste blauw en een bleek zonnetje dat de temperatuur tot acht graden heeft weten te brengen. De lucht voelt aan als op een heldere winterdag, wat niet verwonderlijk is als je een winter hebt overgeslagen: het lichaam vergeet sneller dan de geest.
Vluchten naar Nagoya waren nogal duur, dus ik ben naar Osaka gevlogen en heb aanwijzingen bij me voor de treinreis naar Nagoya. Het eerste deel, door Osaka heen, is bekend genoeg. Veel laagbouw, want aardbevingsgevaar. Veel electriciteitsleidingen die om dezelfde reden boven de grond lopen en de verder zo keurige buurten een rommelig aanzien geven. Hier en daar een gedurfd hoog gebouw. Een toren van een stuk of vijftien verdiepingen met een uitwendig skelet: vier palen waarbinnen de verdiepingen als ringen zijn opgehangen en opgestapeld. Je kunt je voorstellen hoe de hele constructie bij een aardbeving heen en weer kan slingeren, zonder in te storten. En overal, maar dan ook overal bebouwing. Een enkele kersenboom die in bloei staat en een onwerkelijk accent plaatst in het stadschap.
In Shin-Osaka stap ik over op de shinkansen richting Tokio, die ook stopt in Nagoya. Ik heb een kaartje zonder plaatsreservering en moet dus op zoek naar een wagon waar de zitplaatsen vrij zijn. Valt niet mee: de ene na de andere wagon is gereserveerd. Overal mensen in kostuum, variërend in kleur van donkergrijs tot lichtzwart. Enkele van de wagons staan blauw van de rook. Als opiumgebruikers liggen de kostuums aan hun sigaretten te trekken, de blik op elders. Uiteindelijk kom ik een conducteur tegen, die me uitlegt dat de achterste twee wagons niet gereserveerd zijn. Dat is een paar honderd meter lopen van het begin van de trein. Terwijl ik me daarnaartoe op weg begeef zie ik vanuit een ooghoek het landschap met een absurde snelheid in tegengestelde richting voorbijkomen. Ik voel me langzaam jonger worden, zal wel suggestie zijn.
Nog een trein naar een voorstad van Nagoya, en nog 500 meter lopen. Althans, dat zeie ze. Ik had zelfs een kaart bij me en een routebeschrijving die begon met: het is vrij simpel… Anderhalf uur later heb ik nog geen enkele aanwijzing dat ik zelfs maar in de buurt ben geweest, dus ik bel maar op, of ze me kunnen komen halen. Tien minuten later treed ik de wereld in die de mijne gaat worden.
Allemachtig… de instructies over mijn woning en de eerste les morgen waren al alleen in het Japans, weliswaar in een heel rustig en geduldig Japans, maar toch onmiskenbaar Japans! En terwijl de woorden in een andere combinatie op me af blijven komen dan in de lessen op de cd’s en in de boeken (kunnen ze zich daar niet gewoon aan houden? Dat waren toch goeie zinnen?) gaat mijn hoofd op tilt. Mooier nog, als ik probeer te antwoorden komen er alleen maar Thaise dingen uit! Ooooo… waar moet dat heen…? Morgen wordt het dus echt serieus. Eerst een test, dan les, en meer les, en meer les, en pauze, en dan nog meer les. En daarna… zelfstudie. Oei.