We lopen onder de weg door via een voetgangerstunnel die aan het eind een haakse bocht maakt. In de spiegel die in de hoek is opgehangen zien we van de andere kant schoolmeisjes aankomen, donkerblauwe uniformen onder felgele hoedjes, kwetterend, zich kennelijk onbewust van de mannen die op ze af komen. In de bocht staan ze ineens oog in oog met grote buitenlanders, en de gesprekken verstommen op slag. Pas als ze ons voorbijgelopen zijn giechelt ��n van hen nerveus. Wij beginnen te lachen. En zij proesten het opeens met zijn allen tegelijk uit. In de voetgangerstunnel is iets goed afgelopen, en iedereen die daarbij aanwezig was schatert van het lachen.

Wij zijn anders. Nee, zij zijn anders. Of toch wij? Hoe het ook zij, verschillen vallen op, en verschillen kunnen beangstigend zijn, maar ook vermakelijk. Iedere dag en ieder moment word ik geconfronteerd met een wereld waarvan ik de tekens nog moet leren kennen en waarin ik niet zeker kan weten of achter die andere tekens een compleet andere wereld schuilgaat of niet. Schrift, gebaren, omgangsvormen, taalconstructies, organisatiepatronen, alles is anders, maar niet altijd zo anders als het lijkt. Soms denk ik met iets bekends te maken te hebben, en dan is de verwarring groot als blijkt dat dat niet zo is. Andere keren blijkt iets schijnbaar onbegrijpelijks best toegankelijk te zijn als je maar even door het bovenste laagje heen kijkt, ongeveer op dezelfde manier als je het woord �onbegrijpelijk� in zijn tegendeel kunt veranderen door alleen maar de eerste twee letters weg te halen.

Wij (mijn huisgenoten en ik) hebben het daar wel eens over, zo ongeveer in de trant van:
-Zouden ze nou werkelijk altijd zo zijn als wij ze zien? Dat is toch niet vol te houden?
-Nee, in werkelijkheid zijn ze net als wij, en spreken ze alleen Japans als er buitenlanders in de buurt zijn. Zodra die buitenlanders weg zijn kunnen ze weer ontspannen en gewoon Engels praten.
Zoals die cartoon van Gary Larson, waar een paar koeien in de wei staan te praten. Ze staan als mensen, overeind, op de achterpoten. Een koe die op de uitkijk staat roept: auto! Op het moment dat de auto voorbij rijdt staan alle koeien netjes op vier poten te grazen. Om vervolgens weer overeind te komen en verder te gaan met hun gesprekken. Geweldig.

Ik zat ooit in de trein van Schiphol naar Amsterdam, en hoorde achter me twee Amerikanen praten, die kennelijk net uit het vliegtuig gestapt waren. Toen de trein langs een gebied met volkstuintjes reed zei de ene tegen de andere: moet je eens kijken in wat voor kleine huizen ze hier wonen!

Het is makkelijk genoeg verkeerde conclusies te trekken als je met iets nieuws geconfronteerd wordt. En dus probeer ik geen conclusies te trekken, en alleen te observeren. Ik ben een bezoeker, un �tre passager, een vluchtige voorbijganger, een passagier in een trein die door vreemde en onbekende gebieden rijdt. Een onvermoeibare toeschouwer. Van het schouwspel dat zich voor mijn ogen voltrekt kan en wil ik me helemaal niet losmaken.