Zondagochtend. Pfff…. gaat een stuk beter. Gisteren in bed gebleven met griepsymptomen, bijna niets gegeten, geen energie om wat dan ook te doen, geen interesse in iets anders dan de volleybalwedstrijden op tv. Daarbij nog een druilerige dag, niemand thuis, ideaal om eens lekker uit te zieken. Vandaag nog niet helemaal oké, maar het gaat beter (dus geen griep), het is een mooie dag, en het is vooral een nieuwe dag. Wat zouden we moeten beginnen zonder die dagelijkse gang die ons iedere dag weer een nieuw begin aanbiedt?

Wat is hier gebeurd de laatste tijd? Hier in huis zijn we nog met zijn vieren; Matt de Engelsman is vertrokken om een paar weken door Japan te reizen, we hebben afgesproken hem over drie weken te gaan opzoeken in Tokyo. Mark is voor de tweede keer twee weken teruggezet en zit zich ernstig af te vragen of alles wat hij doet niet voor niets is. Hij blijft wel doorgaan met iedere dag tot middernacht studeren. Manu en ik gaan af en toe met hem zitten om zijn leerstof nog eens met hem door te nemen, maar hij heeft er moeite mee. Ik heb met hem te doen, het moet soms uitzichtloos lijken. Manu heeft interesse in een meisje uit Hong Kong, en de aandacht die zij krijgt van een Spanjaard (romantisch ideaal van menige Aziatische vrouw) lijkt haar niet helemaal onberoerd te laten. De Amerikaan die voor een langere termijn in Japan is leidt nog steeds in de kamer naast me een teruggetrokken bestaan. Op school is de samenstelling van de klas onophoudelijk veranderd. Van de mensen met wie ik begonnen was is er nog één over, de Russisch-Amerikaanse, en die gaat de komende week naar huis. We hebben nu een klas die naast haar en mij bestaat uit vier Taiwanese vrouwen, een Indonesiër, een Canadese en een Zwitser. Het is te merken dat we allemaal vorderingen maken: ondanks de twijfels die ik af en toe heb over mijn eigen presteren zitten we in een stijgende lijn. Het is zo’n stijgende lijn die ook af en toe een neergaande beweging laat zien, maar over het algemeen naar boven gericht blijft. Zal wel goed zijn zo. En intussen zijn er genoeg leerlingen naar huis gegaan om ruimte te creëren in de privélessen,  die ik dus heb toegewezen gekregen, twee per week.

Een kleine anecdote uit de privéles van eergisteren. We hadden het over Nederland. De lerares vroeg me waar ze beslist naartoe zou moeten gaan als ze naar Nederland op vakantie ging. Amsterdam, zei ik, want daar is van alles te doen. Kun je nog interessante wendingen aan geven, Gay Pride als tegenhanger van de samurai parade, de Wallen als tegenhanger van geishahuizen en zo. Maar dat viel een beetje buiten het kader van ons gesprek. Kon ik gerechten noemen waar Amsterdam om bekend was en die ze beslist moest gaan eten? Nou, eh, Amsterdam heeft geloof ik geen regionale gerechten, en Nederlands eten is niet zo heel erg bekend, maarreh… Weer zo’n zijsprong in gedachten, nu naar Febo en een restaurant dat ik jaren geleden in Hong Kong’s Lan Kwai Fong district zag, dat ‘Dutch Restaurant’ heette en bestond uit luikjes in de muur en waar je staand moest eten. Het heeft niet lang bestaan.  Maar ik laat me afleiden. In Amsterdam kun je vooral goed buitenlands eten, dat is één van de charmes van de stad, zei ik. Wat ik zelf het liefst at? Even nadenken, moeilijk… Thais. O, zei ze, Japanners houden ook van Thais eten, er zijn veel Thaise restaurants in Japan. Zelf ging ze er ook graag naartoe. Ik vroeg haar wat haar favoriete Thaise gerecht was. Nasi goreng, zei ze.

Volgens haar heeft ieder Thais restaurant in Japan het op de kaart staan.