Het was niet zo eenvoudig voor een dag toegang te krijgen tot Pangkor Laut, het privé-eiland waarover één enkel resort ligt uitgespreid dat volgens de eigen website kan bogen op een lange reeks internationale blijken van erkenning, waaronder enkele vermeldingen in top tiens van het gezaghebbende reistijdschrift Condé Nast. En waar de duurste suite is vernoemd naar Luciano Pavarotti, die, naar verluid, verzot was op het eiland en er meermalen is geweest. De eerste poging strandde al bij het buro in Lumut waar je je moet melden voor de boot naar het eiland. ‘Not allowed’, alleen voor mensen met een reservering. Vervolgens waren er een aantal telefoongesprekken mee gemoeid. Eerst zoiets van: nee sorry, kan niet. Toen, iemand anders: nee hoor, dat doen we niet. En ik: maar ik denk erover mijn huwelijk op uw eiland te laten plaatsvinden, in aanwezigheid van een klein gezelschap dat wellicht een paar dagen zal willen doorbrengen in uw resort. Antwoord: maar waarom heeft u dan niet van te voren een afspraak gemaakt? Ja, zit wat in. Weet u wat? Ik mail wel voor een afspraak, en dan kom ik een andere keer terug. Uitteindelijk kreeg ik toestemming om met een nieuwe lichting gasten mee naar het eiland te varen. Waarbij natuurlijk wel de overtocht betaald moest worden, tegen veertien keer de prijs die de boottocht naar Pangkor had gekost. Noblesse oblige à élever les prix. Eenmaal aangekomen mocht ik na een half uurtje wachten kennismaken met degene die verantwoordelijk was voor bruiloften (en dat al sinds 1995) en die me onder het genot van een kop koffie vertelde hoe het één en ander in zijn werk ging, en me vervolgens overdroeg aan de goede zorgen van een Japanse management trainee die me rondleidde over het eiland. En zij, met haar jeugdige enthousiasme, was eigenlijk veel leuker dan de mensen met wie ik tot dan te maken had gehad. De koele zakelijkheid waarmee alles werd afgehandeld was ontnuchterend, maar de zorg die zelfs aan de kleinste details werd besteed en de schoonheid van de omgeving en het resort zelf waren ronduit indrukwekkend. ‘Yuko-san’,  vroeg ik aan de Japanse trainee, ‘hoeveel mensen werken hier?’ ‘Eh, ongeveer zevenhonderd’, zei ze. Aha.

Is dit wat we willen? Ja, het is indrukwekkend, en mooi, en uniek. Maar het is ook een kwestie van: als je maar genoeg betaalt krijg je wat je wilt. Hm. Ik laat me gemakkelijk overtuigen, Charlotte niet. We hebben het erover. Is dit echt zo bijzonder? Waar is de vonk?

Verder met de bus van Lumut naar Butterworth, om daar over te steken naar Penang met de bedoeling de betaling van ziektekostenverzekering en postbus te vernieuwen en dan de boot naar Langkawi te nemen.

De eerste anderhalf uur ging de reis over een provinciale weg, een erg plezierig stuk dat af en toe langs palmplantages voerde, maar vaker langs dorpjes met traditionele houten huizen en met rijpe vruchten behangen rambutanbomen, bananenbomen, papaja’s en broodbomen. Het contrast tussen dit lieflijke, levende landschap en de snelweg die de bus daarna opdraaide was groot. Langs de snelweg ontstaan geen dorpen, daar is geen enkele reden voor. Als je al eens een enkel huis ziet staan is dat toeval. Zoals de rest van de omgeving is dat huis gespaard toen de weg werd aangelegd, zoals de rest van het landschap wordt het getolereerd omdat de weg toevallig niet méér plaats nodig had. De snelweg heeft een beginpunt en een eindpunt en bestaat verder alleen uit kilometers waarvan de enige functie is dat begin met dat eind te verbinden en waar je gelukkig sneller dan elders mag rijden. Als er dan toch geen interactie is tussen de snelweg en het landschap, als de reis enkel nog gericht is op de bestemming, dan kun je maar beter zo snel mogelijk naar die bestemming toe gaan.

Zoals wanneer je in het vliegtuig zit te wachten totdat de reis afgelopen is.

… Zin om te fietsen. Dit landschap, deze weg met zijn dorpen, zijn dorpelingen en zijn leven, zag er ideaal uit om langs te fietsen. Stoppen bij de rambutanboom, vooropgesteld natuurlijk dat je er zo ongeveer in deze tijd langs komt, want alleen nu levert hij zijn rode, harige vruchten op. Stoppen dus bij de ranbutanboom, en kijken, en voelen. Plukken, proeven. Aanraken.

De veerboot van Butterworth naar Penang was al bekend. Het hotel waar ze plaats voor me hadden ook, evenals de restaurants waar ik uit kon kiezen. Dit is vertrouwd, en vertrouwd is lekker. Even maar, niet te lang, want het is belangrijk niet te lang in de ‘comfort zone’ te blijven. Al is het verleidelijk.