Clark Quay is een keurige, op Singaporeaanse wijze (dus tot in de details) georganiseerde uitgaanswijk aan de rivier. We komen net terug van een romantisch diner niet ver hiervandaan en strijken neer bij ‘the Clinic’ voor een drankje. The Clinic is een wat merkwaardig etablissement. Het bestaat uit een lange rij zithoekjes die zijn opgesteld in het voetgangersgebied, langs de gevel van een gebouw waarvan het onduidelijk blijft of het ook een ‘binnen’ heeft. De zithoekjes zijn van elkaar afgeschermd met gordijnen van het soort dat je in ziekenhuizen aan kunt treffen, de bankjes doen denken aan ziekenhuisbedden en er zijn tafels waaromheen alleen rolstoelen staan opgesteld. Het in operatiehemden geklede personeel loopt af en aan met medicijn. Af en toe wordt een infuus voorbijgereden, op weg naar een patient die het dankbaar aanvaardt, het slangetje in zijn mond steekt, een teug neemt van de helderrode of groene vloeistof en er zienderogen van opknapt.
Op een gegeven moment komt een gezelschap langs van wat oudere mensen, waarvan er één in een rolstoel zit. We denken even dat het een grap is en kunnen nog net op tijd een lach onderdrukken. Ze blijven staan en kijken naar al die mensen die aan het spelen zijn met de rolstoelen waar ze waarschijnlijk voor het eerst in zitten. Ze zien er wat onzeker uit: wat moeten ze hiervan denken? Dan wordt de dame in de rolstol aan het hoofd van een tafel gezet en neemt de rest van het gezelschap plaats in de rolstoelen die er al stonden. Even later zien we dat ze dikke pret hebben met zijn allen. De medicijnen werken.

We lopen langs de rivier terug naar ons hotel en komen langs een plek waar kleurrijk verlichte voorwerpen door de pikdonkere hemel dansen. Ze gaan omhoog, maken plotselinge wendingen, dwarrelen naar beneden, draaien vlak bover de grond weer om en stijgen, stijgen, schieten opeens naar links of rechts en verwijderen zich een poosje met grote snelheid, draaien om en komen terug. Het is een betoverend schouwspel. Maar wat is het? Het kunnen geen vliegers zijn, daarvoor zijn ze te wendbaar en bovendien is er geen wind. Modelvliegtuigjes ook niet, ze zijn best groot en we horen geen motorgeluiden. Even kijken dus.
Het blijkt te gaan om een kruising tussen vliegers en modelvliegtuigen. Vederlichte constructies van staafjes en doek, voorzien van electromotortjes en afstandsbediening en verfraaid met led’s die langs het frame gespannen rietjes verlichten in allerlei kleuren.
Eén van de jongens die ermee bezig zijn komt uitleggen wat ze aan het doen zijn. Bijna elke avond zijn ze hier te vinden. Of we wel eens gevlogen hebben. Alleen vliegtuigen, zeg ik, nooit modelvliegtuigen. O, zegt hij, dit is een beetje anders. Als je in een vliegtuig rechtsaf wil moet je het stuur naar rechts doen. Maar als je model op je toevliegt en je wil het rechtsaf laten gaan moet je het stuur naar links doen. Ja, zit wat in. Intussen zien we de anderen dingen doen die aerodynamisch gezien eigenlijk helemaal niet kunnen. Zo klein als de motortjes zijn, ze leveren meer trekkracht dan het gewicht van de vliegers, zodat ze kunnen stilhangen in de lucht, hangend aan de propellor, om dan achterover te buitelen en weg te vliegen alsof er niets aan de hand is. Fascinerend. Wat later zijn er een paar aan het oefenen met synchroon vliegen en de tropische avondhemel is vol dansende feeën. Fascinerend.