Het Ulaanbaatar waarin ik in aankom is grijs, nat, modderig en mistroostig. Straten vol mensen die alle boten gemist hebben, mensen die proberen een mager bestaantje bij elkaar te sprokkelen met het venten van snoep en sigaretten en mensen die alleen maar louche lopen te wezen. Van de drie miljoen inwoners die Mongolië heeft wonen er één miljoen in deze stad, en dat aantal groeit snel. Grote, brede hoofdstraten waarin evenveel (Japanse) auto’s rijden met het stuur aan de rechterkant als (Koreaanse) met het stuur aan de linkerkant. Hummers en Landcruisers met geblindeerde ruiten. Achterafstraatjes waar auto’s laveren tussen de diepe gaten die in het asfalt zitten. Een centrum waar tussen de statige neoklassieke overheidsgebouwen met zuilen en recent geschilderde façades nieuwe torens van glas en staal met futuristische vormen ontstaan. Maar ook, net buiten dat centrum, wijken waar huizen en gers elkaar afwisselen. Zelfs in de stad zijn er mensen die liever in een tent leven dan in een huis, al neemt hun aantal af.

De nieuwbouw steekt wat af bij de rest van de hoofdstad

Ik had een dag door te brengen en deed dat door een groot boeddhistisch klooster te bezoeken, foto’s te nemen op het grote plein in het centrum en van alles bij te werken op het internet. Met Naki had ik ergens afgesproken om zeven uur; hij zou me begeleiden naar het station en ervoor zorgen dat ik zonder problemen in de trein kwam. Ik wandelde in de richting van onze afspraak en stond op het punt een straat over te steken toen de man die vóór me liep zich bedacht, zich omdraaide en tegen me opbotste. Sorry, zei hij nog, maar doordat ik had ingehouden liepen de mensen die achter me liepen ook tegen me op. Even leek het of iedereen probeerde langs elkaar heen te gaan, en toen was mijn portemonnee weg…
Ja, wat doe je? Twee buitenlanders spraken me aan; ze hadden gezien wat er gebeurde en zeiden dat ze vermoedden dat mijn zakken gerold waren. Ja, daar was ik al achter. Wat doe je nu? Tja, hier doe je niets aan, je kunt maar één ding doen: accepteren dat het gebeurd is en verder gaan. Balen natuurlijk, dat wel. Niet dat er veel geld in die portemonnee zat, maar mijn credit card en pinpas waren ook weg. Ook niet onoverkomelijk maar… balen, dat wel. Paspoort en treinticket had ik tenminste nog. Traveller’s cheques zaten in de bagage die ik op het station in bewaring had afgegeven. Vijf minuten later, terwijl ik me nog zat te beraden over wat ik nu moest doen, werd er iets voor mijn voeten op straat gegooid. Het was mijn portemonnee. Alleen het geld was weg, de rest zat er nog in. Pas later, in de trein, vroeg ik me af hoe veilig mijn credit card-gegevens nog waren. Het zal wel meevallen: Mongolen wonen in een sterk gereguleerde staat en hebben pinpassen en credit cards die alleen in het binnenland gebruikt kunnen worden.
Maar nee, Ulaanbaatar liet niet zo’n goede indruk achter. En het was zo goed begonnen in Mongolië! Later hoorde ik dat een collega van Naki op dezelfde dag, na haar groep te hebben gewaarschuwd voor zakkenrollers, zelf gerold was. En nog later (ik loop nu wat vooruit) kwam ik in Irkutsk weer de twee meiden tegen met wie ik een coupé gedeeld had van Beijing tot Sainshand. Eén van hen was gerold in de drukte van het uitstappen, op het station van Ulaanbaatar. Er zijn steden waar je gewoon niet moet komen.

het station van Ulaanbaator

In de trein naar Irkutsk zaten vooral jonge mensen, studenten die net als ik op tijd moesten zijn voor de opening van het nieuwe studiejaar. Op een enkeling na spraken ze behalve Mongools alleen Russisch. Het grootste deel van de reis vond ‘s nachts plaats: het was nacht van Ulaanbaatar tot de grens, aan de grens stonden we van zonsopkomst tot ver in de middag en het was weer nacht bijna tot aan Irkutsk.
Negen uur aan de grens, ja. De eerste paar uur aan de Mongoolse kant van de grens gebeurde er helemaal niets. We zaten met twee treinstellen (de rest was losgekoppeld en met de locomotief verdwenen) te wachten op de dingen die gingen komen. Uiteindelijk kwamen de Mongoolse grenspolitie en douane langs, keken streng en lieten ons gaan. Aan de Russische kant van de grens liepen beambten met een blanke huidskleur en blond haar rond die niet eens streng keken en alleen lastig waren tegen Mongools uitziende mensen die tassen vol handelswaar bij zich hadden en een deel daarvan al vóór de grens over verschillende coupés hadden verspreid. Verder werd er eindeloos gerangeerd met wagons en locomotieven, totdat onze nieuwe trein compleet was.
Van het landschap heb ik dus niet zo heel veel gezien. Maar wat ik ervan zag was schitterend. Heuvels begroeid met naaldbomen en daartussen vlaktes die nu eens alleen met gras begroeid waren, met hier en daar een boerderij met wat graan, dan weer met lage groene bomen en hier en daar groepjes (nu al?) bladloze berken. Een enkele keer een dorp met houten huizen.

Ik heb vaak geprobeerd, als ik door het wijde dal reed dat van Genève richting Chamonix loopt, me voor te stellen hoe dat dal er uitgezien kan hebben voordat er een snelweg doorheen liep en voordat er industrie was en overal huizen. Ik heb me altijd een geromantiseerd beeld gevormd van dat dal in vroeger tijden, ook al was het in werkelijkheid waarschijnlijk het toneel van strenge winters en een moeizaam verdiend, karig boerenbestaan. Ik ontkom er niet aan, nu, hier, naar deze vlaktes in zuidelijk Siberië te kijken waar bijna geen tekenen van menselijke aanwezigheid zijn en te denken dat dit op zijn minst een verdomd mooi deel van de wereld is.

Vlak voor aankomst in Irkutsk, bij het eerste daglicht: bergen, begroeid met naaldbomen en berken die ook hier hun bladeren beginnen te verliezen, kleine dorpen met uitsluitend houten huizen. De dorpen worden groter, er zijn wegen en auto’s, dan flatgebouwen en de eerste fabrieksschoorstenen waarvan de rook zich vermengt met de ochtendmist: we naderen de stad. Ik hoop dat het gastgezin bij wie ik de komende maanden ga doorbrengen op me staat te wachten!