Ja, mocht ik het zelf vergeten zijn, dan waren de goede wensen die op allerlei manieren binnenkwamen genoeg om me te helpen herinneren: vijftig vandaag… Bedankt iedereen voor die goede wensen! Charlotte verraste me met slingers, kado’s, champagne en taart. Champagne?? Taart???

P2130002

In Chiang Rai is een Nederlands restaurant met eigen bakkerij: the Old Dutch. Dagelijks kan er de buitenland-editie van de Telegraaf gelezen worden. Erwtensoep, kroketten, frikandellen, kaasfondue en allerlei stamppotten zijn er verkrijgbaar. Er wordt drop verkocht met een uiterste houdbaarheidsdatum van drie jaar geleden. En Charlotte had er een cheesecake met kersen gevonden. Goh, zei ik bij de eerste hap, dat is apart, hij is van blauwschimmelkaas gemaakt. Charlotte bekeek de taart en verbleekte. Getver, hij is beschimmeld! Ze had net een stukje aan het meisje van de receptie van het hotel aangeboden, als dank voor haar hulp bij het bewaren van de taart en de champagne. Zouden we haar moeten vertellen dat het misschien beter was dat stuk niet op te eten? Ach, dat hoeft niet, dacht ik, ze zal na een eerste hap wel gedacht hebben: rare smaak hebben die buitenlanders, en de rest weggegooid hebben. We hebben er wel nog om gelachen. ‘s Avonds hebben we nog, in een ander restaurant dat eigendom was van een Nederlander, bitterballen besteld die naar kokos smaakten (in de palmolie gebakken?), en zo blijven we om onszelf lachen. Morgen maar weer gewoon Thais eten, morgen is geen bijzondere dag, morgen kan het weer…

P2130015

Maar even terug naar waar het vorige bericht opgehouden was.

In Nan zijn we nog een paar dagen gebleven. Na de voettocht die in het vorige stukje beschreven werd zijn Mark en Katie gauw verder gegaan; ze zijn van plan over een maand of twee in het Verenigd Koninkrijk aan te komen en kunnen dus niet lang blijven, ze waren al langer gebleven dan ze van plan waren. De Canadezen konden wat langer blijven en dus hebben we nog wat tijd met ze doorgebracht. Op een avond gingen we met ze naar een festival aan de rivier. Om een met tafels en stoelen ingericht plein waren kraampjes met eten ingericht die allerlei herkenbare en minder herkenbare soorten eten aanboden. Terwijl op een podium dansgroepjes meedongen naar de prijzen die al stonden uitgestald haalden wij eten volgens de methode ‘hm, dat ziet er interessant uit, geen idee wat dat kan zijn, doe me dat dus maar’. Intussen was de lucht gevuld met meer motjes dan we ooit eerder bij elkaar gezien hadden, en schijnwerpers werden uit- en weer aangezet in een vruchteloze poging ze te verspreiden. Verkopers waren onophoudelijk bezig hun koopwaar te ontdoen van de lijfjes van insecten die erin terecht waren gekomen. Na een paar uur nam het aantal fladderende beestjes af. Toen we naar huis liepen was de grond bezaaid met een zo dikke laag vleugels dat het leek alsof het gesneeuwd had.

Op naar Chiang Rai, waar we na een zes uur durende busrit aankwamen. Om er meteen weer uit te vertrekken, omdat de meest aanlokkelijke optie voor onderdak in de heuvels op 23 km buiten het stadje lag. ‘Op 1500 m hoogte, volledig beheerd door leden van de Akha-stam, met een keuze uit wandelingen door dorpen van andere ethnische minderheden, langs watervallen, theeplantages’… Na twee dagen lang te hebben genoten van de rust en op eigen houtje watervallen en theeplantages te hebben bezocht werden we verrast door de komst van zeventien nieuwe gasten die het einde van de rust betekenden. De door een gids begeleide wandelingen waren drie, vier keer zo duur als in Nan, de interactie met Akha’s bestond uit pogingen van hun kant onze aandacht te vestigen op de sieraden die voor hen op de grond lagen uitgestald wanneer we in de buurt kwamen, en na een aantal van dat soort kleine tegenvallers vertrokken we maar weer, terug het stadje in, om ons daar te beraden op wat we verder wilden gaan doen. Er zijn allerlei opties, de ene nog aantrekkelijker dan de andere.

Maar zie: Chiang Rai, waarvan anderen ons vertelden dat het hooguit interessant is omdat je van daaruit allerlei kanten op kan, bevalt ons. Het trekt genoeg buitenlanders aan om van alles te kunnen bieden waar buitenlanders zoal van houden, en tegelijkertijd is het ontspannen genoeg om er langere tijd te kunnen doorbrengen.

Ook enkele kilometers buiten de stad bevindt zich iets waarover iedereen die we spraken het zelfde zei: dat moet je gezien hebben. De ‘witte tempel’ of ‘white wat’ bleek inderdaad een uitzondering op de vrij elementaire reizigersregel dat je niet voor ieder wittewatje een tuktuk moet nemen. Een Thaise schilder/architect is hier al jaren bezig met de bouw en inrichting van een tempelcomplex dat, eh, een beetje afwijkt van traditionele tempelcomplexen. Aan een beschrijving waag ik me niet, laten de foto’s van de buitenkant en muurschilderingen binnen (snel genomen toen de bewaker even afwezig was, want fotograferen verboden) maar een indruk geven…


DSC00515

DSC00539