Het is een bekende menselijke eigenschap om, geconfronteerd met de noodzaak een beslissing te nemen, te besluiten die beslissing nog even uit te stellen. We kennen dat uit de politiek en van dichter bij huis. Eerlijk gezegd kan het soms wel eens verstandig zijn om geen overhaaste stappen te nemen en eerst de ontwikkelingen eens rustig te bekijken.

Er zijn ook situaties waarin je je opties snel minder aantrekkelijk ziet worden, totdat je, gedwongen door de snelheid waarmee de situatie uit de hand loopt, je beslissing neemt op het slechtst denkbare moment. Eén zo’n situatie is wanneer je je in een voertuig bevindt dat zich met grote snelheid steeds verder van je doel verwijdert.

Ik was al eerder met de bus van Kuala Lumpur naar Butterworth gereden. Die had me afgezet bij de veerboot waarmee je snel en goedkoop het centrum van George Town, Penang bereikt. Dat dacht ik dus weer te doen. Vlak voordat we bij de veerboot aankwamen stapten een aantal mensen uit en riep de chauffeur iets dat klonk als ‘hm hm dua’. Dat hij ‘Butterworth’ had geroepen kwam pas later in me op. Nadat we de veerboot passeerden. Nadat Georgetown alleen zichtbaar was als ik achter me keek. Bij een tolpoortje begon het me te dagen dat deze bus misschien niet op weg was naar het centrum van Butterworth waarvandaan ik een taxi had kunnen nemen, maar naar een andere stad.

Inderdaad. Die andere stad was Alor Setar, 90 km verderop. Wat ik wilde doen, vroeg de chauffeur. Ik dacht snel na, zag geen goeie opties, besloot uit te stappen. De veerboot waren we niet zo heel erg lang geleden gepasseerd, en misschien kon ik een taxi krijgen. Alleen: we stonden net voorbij de tolpoortjes aan de -voor mij- verkeerde kant van de snelweg. Oversteken zag er niet slim uit, en de toegang tot een voetgangersbrug die boven het tolstation liep zat stevig op slot. Toch maar lopen dan.

Nou goed, het was een uur lopen, onder een genadeloze zon. Goed om de zweetklieren en poriën te laten werken. Onder het lopen vroeg ik me nog af of het niet beter was geweest te blijven zitten tot Alor Setar en dan een bus terug te nemen. Er ging in ieder geval moeiteloos twee liter water in toen ik in George Town aankwam.

Een soortgelijk moment waarop een beslissing genomen moest worden kwam de volgende dag, vandaag. Het was zeven of acht maanden geleden dat ik voor het laatst bij de kapper was geweest en het leek me een goed idee ‘de puntjes wat bij te laten knippen’.

De Indiër die me liet plaatsnemen in de kappersstoel was niet de kapper, kennelijk. Van ergens achter kwam een ander tevoorschijn, een bejaarde man met dikke brilleglazen. Hij nam een lok nekhaar tussen wijs- en middelvinger, keek ernaar met wat ik voor misprijzen hield, en zei:
‘Short, here?’
Ik antwoordde:
‘Not very short, I want to let my hair grow’
Zijn antwoord begreep ik niet meteen.
‘Bitchard?’
‘I’m sorry?’
‘Bit short?’
Nog was er tijd om uit de stoel te springen en weg te rennen. Tegen de tijd dat grote vlokken van mijn haar op de grond begonnen te vallen wist ik dat het moment waarop ik nog had kunnen beslissen voorbij was.

Dan maar blijven zitten tot het eindpunt. Ik bekeek het resultaat in de spiegel en zei tegen mezelf wat je eigenlijk altijd wel kunt zeggen tegen iemand die van de kapper terugkomt: geeft niet, groeit wel weer aan…