Charlotte en Lin op de camping van Zaragoza

Zaragoza betekende: weerzien met Lin, een Canadese met wie we in Chiang Mai de TEFL-cursus hadden gedaan. Zij is zo’n ‘de wereld rond in één jaar’ ticket aan het opmaken. Na Thailand had ze een paar maanden op Borneo doorgebracht, daarna was ze naar India doorgereisd en een week geleden was ze in Madrid aangekomen. Na te hebben gewacht op haar nieuwe credit card (in de Madrileense metro had ze een hele behulpzame man gesproken die haar van alles had uitgelegd terwijl diens compagnon zich over haar portemonnee ontfermd had) nam ze de trein naar Zaragoza om daar een paar dagen met ons door te brengen. We hadden heel wat bij te praten… en we hebben niet verzuimd de binnenstad te bezoeken, met o.a. de basiliek waar ouders in de rij stonden om hun kinderen te laten zegenen, een ritueel dat de kinderen zichtbaar geamuseerd ondergingen.

Een koorknaapje wijst twee broertjes de weg naar de fotograaf, nadat ze net iets heiligs hebben mogen kussen.

Lin vond het maar koud in Spanje, en in plaats van langer te blijven wachten tot het warmer werd besloot ze door te gaan naar Londen, en van daar naar Ecuador. Wij namen ook maar weer de kaart ter hand en bestudeerden die zoals een bergbeklimmer een rotswand bekijkt, zoekend naar de voor de hand liggend lijn.

Het was niet zo eenvoudig een gunstige route te vinden. Bijna alles wat de stad uit gaat is snelweg of drukke hoofdweg; kleinere wegen kunnen alleen bereikt worden via die hoofdwegen. Bovendien zag de rechtstreekse route naar Valencia, waar we heen willen, er niet aantrekkelijk uit. Er loopt lange tijd een kleine weg naast de snelweg, dat is al niet ideaal. Maar voordat de bergen bij de kust worden bereikt houdt die weg op. Om de bergen over te steken moet een lange omweg genomen worden die bovendien enkele passen op vijftien- zestienhonderd meter telt.

We kozen voor een weg van mindere weerstand en grotere esthetische schoonheid. In plaats van de stad in zuidwestelijke richting te verlaten, gingen we in eerste instantie naar het noordoosten, om daarna aan de voet van een rotsplateau af te buigen naar het zuidoosten.

Goeie keus, al gauw bevonden we ons op een weg waarop bijna geen autoverkeer was, die voerde door een streek waar niemand woonde en waar dus ook geen reden voor autoverkeer was. Om ons heen een golvend landschap van stenige akkers. Droge, onvruchtbare grond, waar het beetje regen dat erop valt door toedoen van onze vriend de cierzo verdampt voordat het de wortels van de gewassen heeft kunnen bereiken.

Wat voor oogst mag je hier verwachten?

Het dorp dat we hadden uitgezocht om de nacht in door te brengen was onheilspellend leeg. We reden door straatjes waar niemand was, langs huizen met gesloten luiken en geparkeerde auto’s waaraan niet te zien was wanneer ze voor het laatst gereden hadden. Er was niets dat leek op een winkel, laat staan op een herberg. Over het hele dorp hing een stilte die alleen door ons verstoord werd. Nee wacht eens, daar loopt een oude vrouw. Met argwaan zag ze ons naderen, maar ze keek opgelucht toen we alleen wat informatie wilden. Onderdak? Ja, vroeger waren er twee hotels geweest, maar die waren dicht. Ga maar vragen bij de kroeg, daarginds om de hoek.

Inderdaad, er was een kroeg. De voltallige mannelijke bevolking van het dorp keek erin op toen we binnenkwamen. En ging meteen weer verder met de geanimeerde gesprekken die ze aan het voeren waren en die duidelijk de prioriteit hadden boven de tv waarop ‘Gone with the wind’ te zien was. Het was opeens duidelijk waarom we niemand op straat gezien hadden. Ik zag het voor me hoe om de zoveel dagen (weken?) iemand eens buiten het dorp ging kijken, om heel af en toe tegen zichzelf te zeggen: joehoe, en dan snel iedereen te waarschuwen dat er iets tot wasdom was gekomen op de velden. Hoe dan iedereen zich haastte om het gegroeide binnen te halen en daarna het leven in de kroeg weer verder kon gaan, in de wetenschap dat er maandenlang niets te oogsten zou zijn. Ik zette die gedachten van me af. Het moet een hard leven zijn in deze droge streek.

De mannen krabden over hun ongeschoren kinnen en herinnerden zich meerdere slaapgelegenheden, waaronder iets wat op onze route lag, 28 kilometer verderop. Enne, hier? Nee… hier niet. Logisch. Wie komt hier langs? Terwijl, 28 kilometer verderop, daar komt een hoofdweg langs, dus mensen die ‘s avonds stoppen om te overnachten. We kwamen er aan op het moment dat de zon de einder raakte, en werden gecompenseerd voor de overuren met prachtig licht, mooie kleuren en een weg die heel geleidelijk naar beneden ging.

Dat gebeurt nou zó vaak hè, zie je een mooie zendmast die je wilt fotograferen, staat er een kerk naast!

Volgende dag: klein stukje verder, in eerste instantie langs wat leek op eindeloze, onbegroeide velden, maar al snel tussen olijfbomen en dennen door, en nog steeds, wonderbaarlijk, aan het dalen tot we uiteindelijk aankomen bij de Ebro, die vanuit Zaragoza een iets andere route heeft gekozen. In Caspe eten we weer eens een flinke maaltijd en staan we voor de deur van de supermarkt als die om half zes ‘s avonds open gaat, om inkopen te doen nadat drie dagen lang alles dicht is geweest i.v.m. feestdagen zoals de dag van de grondwet. We hebben tegen die tijd ook rondgelopen en ons verbaasd over een poppig middeleeuws kasteeltje, gebouwd in 1875, dat trouwens wel op het hoogste punt in de omgeving staat en van waar het uitzicht werkelijk fantastisch is.

En alweer wifi in de kamer. Je zou er zo aan gaan wennen…

Mooie, rustige weg