Toen onlangs in Davos de Spaanse premier José Luis Rodríguez Zapatero probeerde de deelnemers aan het Economisch Wereldforum toe te spreken bracht een technische storing in het systeem dat de simultane vertalingen moest verzorgen tussen het Spaans en het Engels een pijnlijk gegeven onder de schijnwerpers: de leider van de Spaanse regering spreekt geen Engels.

¡Qué vergüenza! (dat kán toch niet, ik schaam me rot) zei mijn lerares, want ze weet wel dat je op het wereldtoneel niet meespeelt als je geen Engels spreekt. Zijzelf spreekt geen woord Engels, maar dat komt doordat in de tijd van Franco, enz.

¡Qué vergüenza! zeiden ook de politieke commentatoren, om vervolgens het gegeven te gebruiken zoals het ze het beste uitkwam: voor conservatieven was het een reden de socialist Zapatero persoonlijk aan te vallen, voor de wat progessieveren was het een reden de hele eigen maatschappij nog eens onder de loep te nemen.

Zapatero is geen uitzondering. Spanjaarden, tot op het hoogste niveau, spreken Spaans. Dat is al heel lang goed gegaan. Ook José María Aznar is pas ná de acht jaar die hij diende als premier Engels gaan leren. Maar het besef groeit dat het land niet de rol op het wereldtoneel vervult die het zichzelf zou toedelen, en dat daarvoor de hand in eigen boezem gestoken moet worden.

Spanjaarden hebben een ongemakkelijke verhouding met wat er achter de Pyreneeën en aan de andere kant van het water ligt. Binnen de grenzen van het schiereiland vind je regio’s met eigen gebruiken, eigen keukens, eigen klimaten, eigen talen en dialecten. En Portugal, maar dat wordt grotendeels genegeerd. Je zou zomaar genoeg kunnen hebben aan het eigen land, daar gebeurt al zoveel…

Buiten het schiereiland ligt de rest van de wereld, die voor een groot deel bestaat uit bekend gebied (Latijns Amerika), verder uit mensen waarmee moet worden samengewerkt (Europeanen), mensen die Engels spreken en veel te zeggen hebben (Noord-Amerikanen), mensen die proberen illegaal het land in te komen (Afrikanen) en mensen waar heel weinig van begrepen wordt (Aziaten).

Die rest van de wereld, daar zijn wat problemen mee. Veroveren mag niet meer en werkt niet meer. Samenwerken is wat lastig, want die anderen spreken geen Spaans. Er zijn een hoop grijze vlekken: in spelshows op tv b.v. blijkt dat niemand weet in welke landen steden als Caracas, Damascus of Dublin liggen. Voor buitenlandse produkten bestaat weinig interesse en dus ook geen aanbod (bij de wijnhandelaar om de hoek liggen in de etalage naast elkaar een fles met een etiket waarop alleen staat ‘Australian Wine’ en één met ‘South-African Wine’…). Ook in het taalgebruik komt de onbekendheid met andere culturen terug: ‘hacerse el sueco’ (de Zweed uithangen), een relikwie van de eerste Scandinavische toeristen die niemand begreep, betekent zoiets als ‘zich van de domme houden’. ‘Me suena a chino’ (het is voor mij Chinees) betekent: ik snap er geen … van.

Maar wat vooral opvalt is dat ondanks alles dat onbekende buitenland een hoofdrol speelt bij het waarderen van eigen succes en eigen falen. Buitenlandse roem is een belangrijke maatstaf voor echt succes. Kritiek vanuit het buitenland wordt in discussies gehanteerd als een knoet waartegen bijna geen verweer bestaat.

Ik krijg de indruk van een land dat trots is op zijn cultuur en zijn geschiedenis maar moeite heeft met het verschil tussen het eigen zelfbeeld en de realiteit waar dat af en toe tegenaan botst. Moeite met een veranderende wereld. Twintig procent werkloosheid? O, maar daar wordt aan gewerkt! Onze leiders spreken geen Engels? Ai. Tja. Obama besluit niet naar de EU-VS top te komen die in mei in Madrid gehouden zou worden? Au, dat doet pijn. Heel even, totdat de verzachtende pleister op de wonde gelegd wordt: het is niet persoonlijk, dat zou ook gebeurd zijn als een ander land EU-voorzitter was geweest. Maar het onbestemde gevoel blijft. Er gaat iets niet helemaal goed…