Het park lag aan onze linkerhand. Geen spoor van de vaste gasten: de oude man met het kleine hondje dat altijd rondloopt met een bal in zijn bek, de vrouw met de brace om haar knie, de hardloper die (bijna) altijd in het zwart loopt, de jongen die kennelijk uitlater is en die altijd langs komt fietsen met twee (te) kort aangelijnde honden, maar niet altijd met dezelfde. De mensen die we deze keer tegenkwamen hadden we nooit eerder gezien, de honden waren nieuw, fietsers onbekend. En dat terwijl we alleen maar, voor de grap, eens een keer langs de andere kant van het park naar school liepen.

Het maakte duidelijk, voor het geval dat dat nog nodig was, dat we behoorlijk aan het vissenkommen zijn. Na twee maanden in Valencia zijn er aardig wat gewoontes ingesleten: elke dag opstaan om dezelfde tijd, hetzelfde ontbijt, eenmaal de deur uit een krant kopen bij dezelfde krantenman, dezelfde weg naar school, dezelfde stoel in de klas. En zo verder. De veranderingen van elke dag bestaan uit details als de thermometer op het kruispunt die niet elke dag dezelfde temperatuur aangeeft, het stoplicht dat, als we komen aanlopen, soms… Gaap.

Nou zijn wij niet de enigen. We zijn in een land dat het vissenkommen heeft uitgevonden. Al twee maanden lang weten we nog voordat we het nieuws opzetten wat we te zien gaan krijgen: een verslaggever die in een bemodderd huis staat tussen dweilende mensen en aangeeft hoe hoog het water heeft gestaan, of beelden van grote watervlaktes waar nog net wat daken bovenuit steken. Op het tweede net worden de middagen gevuld met (vaak erg oude) natuurfilms. Elders zijn steevast praatprogramma’s met een voormalige schone die na een aantal mislukte esthetische verbeteringen haar mond niet meer lijkt te kunnen sluiten en een nog net niet voormalige schone die om onduidelijke redenen urenlang in de camera blijft kijken. Het programma Password, waar we ooit naar keken om nieuwe woorden te leren, blijft voorbeelden leveren van de totale onwetendheid van Spanjaarden als het over het buitenland gaat. De programmaleiding lijkt er een groot genoegen in te scheppen woorden te gebruiken die kennelijk erg moeilijk zijn: Zwitserland (Zürich of Genève zouden voor de hand liggende aanwijzingen geweest zijn als je weet dat dat Zwitserse steden zijn, maar met ‘land, Zweden, soortgelijk’ werd Zwitserland wonder boven wonder geraden), Beiroet (hier begonnen ze niet eens aan), Nederland (‘land, roken’; niet geraden)…

Tijdens onze avontuurlijke sprong uit de kom (naar school lopend langs de andere kant van het park, dus) zat ik eens om me heen te kijken. Dat krijg je als je iets nieuws doet, dat zet aan tot om je heen kijken. Opeens kwam het me surreëel voor dat we door een voormalige rivierbedding konden lopen in een tijd waarin het hele land onder water staat, volgens de tv tenminste. Op school heb ik maar eens gevraagd hoe dat zit met die overstromingen. Gebeurt dat wel vaker? Nou, ja, zo gaat dat: meestal is er geen water, maar als het er wel is is er ook meteen teveel. Er zijn vaker overstromingen, ja. Alleen dit jaar is het wel erg extreem, extremer dan anders, zeg maar. Kennelijk heeft het stadsbestuur van Valencia iets erg nieuws gedaan toen het besloot de rivier de Turia om te leiden en op de plaats waar hij ooit liep een park aan te leggen. Elders in het land blijven de overstromingen komen, blijven cameraploegen vastleggen hoe de mensen te lijden hebben van het grillige, meedogenloze weer, bleven gemeentes vergunningen afgeven (zolang er gebouwd werd) voor nieuwe woningen in zones waarvan bekend was dat er overstromingsgevaar bestond.

Intussen lopen we af en toe langs nog andere paden door het park. Want je moet niet altijd hetzelfde rondje maken, hè. En wij zijn immers avontuurlijk aangelegd…