mooi land, Italië

Ontmoetingen…

…met de mannen die in het restaurant van de veerboot van Barcelona naar Porto Torres werken (en die met dezelfde boot doorgaan naar Civitavecchia). Heel stel Hondurezen waarmee Charlotte aan de praat raakt en met wie ze nog een laatste keer het de afgelopen maanden geleerde Spaans kan oefenen. De mannen leven op het schip, werken zeven maanden aan een stuk zes dagen per week, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. De ene vrije dag die ze wekelijks hebben brengen ze in Civitavecchia door, zonder veel te doen te hebben. Italiaans eten? Saai, altijd maar pasta. En Italianen hebben nog nooit van mais gehoord… Ze leggen ons uit wat je allemaal met mais kunt doen: tortillas, tamales, afijn, de hele Centraal-Amerikaanse keuken passeert de revu. Vriendelijke, spraakzame mensen die ten slotte de wens uitspreken dat we een keer hun land bezoeken.

… met een stel uit Parijs, ook op de boot. Ze vertellen ons dat ze vorig jaar de tocht naar Santiago gemaakt hebben, tot Bordeaux te voet en daarna met de fiets omdat de voeten pijn begonnen te doen. Wel jammer eigenlijk, want met de fiets was het ze veel te snel gegaan, je hebt dan lang niet zoveel tijd om van de omgeving te genieten. Dat gezegd hebbende stappen ze op hun Transalps, stoer uitziende motoren, hij op de zijne, zij op de hare. Ze zijn vijf maanden naar Marokko geweest en maken nu nog een omweggetje op weg naar huis. Marokko was fraai, zij het niet altijd gemakkelijk. De meeste problemen hebben de oueds (wadi’s) opgeleverd, de bijna altijd droge rivierbeddingen die in de winter vol water stonden. Ze weten te vertellen van iemand die tijdens een oversteek in het snel stromende water zijn motor niet heeft kunnen houden en alles is kwijtgeraakt. Als reden om naar huis te willen geven ze een argument dat we vaker gehoord hebben, maar niet eerder van motorrijders: ze hebben de kleinkinderen al zo lang niet meer gezien…

detail van kerkkoepel in Alghero

Het eerste dat we doen in Porto Torres, het eerste dat je doet als je ‘s morgens in Italië aankomt: een cappuccino drinken. We hebben op de boot niet veel geslapen, maar de koffie doet zijn werk en de hartelijkheid van de waard doet de rest. Vervolgens stappen we op de fiets voor een bescheiden dagetappe: naar Alghero. Onverwacht groen om ons heen, weinig verkeer, veel al in bloei staande struiken. Tegen lunchtijd komen we langs een agriturismo, waar ons een bord wordt voorgezet met plaatselijke antipasti (worst, kaas, olijven, gedroogde tomaten) en biefstuk met sla en frietjes. Vooral de antipasti smaken goddelijk, de rest is eenvoudig doch voedzaam. Wijn erbij, een glas mirtelikeur voor de spijsvertering, en we kunnen verder.

Alghero heeft de eigenaardigheid dat een flink deel van de bevolking van Catalaanse afstamming is en de streek dus grotendeels tweetalig is. De geschiedenis van de stad is een opsomming van volkeren die om beurten langskwamen, iets zeiden in de trant van: ‘leuk plaatsje’, en het vervolgens innamen. Er is een oude stadskern van overgebleven die de moeite van het bezoeken waard is, wat we dus ook doen. Bovendien wordt er een boottocht naar in de nabijheid gelegen grotten aangeboden, wat we dus ook doen. We moeten wel een beetje wennen aan verrassingen op geldelijk gebied. Merkten we bij het eten al dat er standaard twee euro per persoon op de rekening wordt geschreven nog voordat je iets gehad hebt (voor ‘couvert’), bij het boottochtje blijkt dat de veertien euro die we voor de tocht naar de grot hebben betaald niet alles dekken. Om de grot in te mogen moet nog eens twaalf euro worden betaald. Italianen lijken van verrassingen te houden, we zullen er wel aan wennen.

Het is het waard, dat wel. Zelden zulke mooie grotten gezien, en mijn Nikon is er ook erg tevreden mee.

Grotten van Neptunus, in het noordwesten van Sardinië

Met Pasen regent en stormt het, en in plaats van verder te fietsen besluiten we een flinke lunch te nuttigen en dan uitgebreid te gaan uitbuiken. Op het paasmenu bij een restaurant in de buurt staat paella, en ook al is de plaatselijke versie ervan een andere dan die we kennen, we besluiten toch iets ‘Italiaansers’ te bestellen. Vooraf spagghetti all’Algherese (met schelpdieren, tomaat, olijven en kappertjes) en malloredus met gorgonzola, daarna een perfect ‘con sangue’ gebakken biefstuk en een heerlijk gekruide gegrilde worst met gegrilde groente, tot slot seadas, een toetje van kaas met honing op een bodem van bladerdeeg. Een halve fles vermentino (wit) en een halve fles cannonau (rood) om alles weg te spoelen, en daarbij een bediening waarvan alleen de Italianen het geheim kennen. Het is overdadig allemaal en het is duidelijk dat we dit niet elke dag kunnen doen, maar het is dan ook Pasen, hè.

Op maandag is de wind grotendeels gaan liggen en is de hemel weer blauw, dus we zakken verder naar het zuiden af. Een schitterende kustweg die ons in etappes tot enkele honderden meters boven het waterpeil brengt, brem, mimosa en ander geelbloeiend spul, vergezichten waar je van smelt en ten slotte weer zo’n restaurant langs de weg wanneer het tijd wordt voor de lunch. Deze keer een vast menu met (oké, het is nog steeds Pasen) antipasti, gnocchetti ‘allo chef’ en een sappige kalfsschenkel met aardappels die naar knoflook en houtvuur smaken. We zijn hier net mee klaar als er iemand binnen komt in fietskleding, die rondkijkt en resoluut op ons afstapt. ‘Euch gehören doch die Fahrräder draußen, oder?’, wordt ons op de man af gevraagd. Deze Duitser (Sardinië blijkt een bij Duitsers geliefde vakantiebestemming te zijn) is met een vriend een week op het eiland rond aan het fietsen. Ze hadden in plaats van een bandenrepareerset een stel reserve-binnenbanden meegenomen, maar die hebben ze allemaal al gebruikt, en nou hebben ze alwéér een lekke band… Of wij misschien iets bij ons hebben. Ja, hebben we wel. Moet wel even van helemaal onder uit de tas gehaald worden, want we hebben het nog niet nodig gehad.

…Ja, dat is echt waar. We hebben intussen vierduizend kilometer gefietst, dus samen achtduizend, zonder een enkele lekke band. Ik kan het zelf niet geloven, want het spul waar ik vroeger mee fietste ging om de honderd kilometer lek. Het geheim heet Schwalbe Marathon XR, een Duitse buitenband die bijzonder lekbestendig is en die de Duitsers van vandaag dus niet hebben. Helemaal lekvrij is deze band ook niet, maar met regelmatige controles kom je een heel eind. Al meermalen heb ik glassplinters en steenschilfertjes uit onze banden gehaald. Meestal zijn ze alleen te herkennen aan een sneetje in het loopvlak van de band, waar dan met wat prutsen met een mesje de potentiele boosdoener die zich al naar binnen aan het werken is uit gepeuterd kan worden.

Charlotte in Bosa

We stoppen voor de dag in Bosa, waarvan de oude binnenstad bestaat uit kleurige huizen die zijn aangebouwd tegen een met een kasteel bekroonde heuvel. Een wonderlijke plaats met veel sfeer en een rust waarvan je kunt vermoeden dat die in de zomer ver te zoeken is. Waar veel huizen te koop staan, veel worden opgeknapt, waar Engels klinkt vanuit een open raam, en waar toch bewoners die we op straat kruisen ons ‘buona sera’ beantwoorden alsof we zeldzame bezoekers zijn.

Volgende dag (en nog geen kans gehad het weblog bij te werken, nergens wifi, nergens internet): verder naar Cuglieri, een in de heuvels genesteld plaatsje waar we één restaurant open vinden. Hier geen menukaart, hier wordt gewoon gevraagd wat we willen drinken, wit of rood, en vervolgens wordt er een assortiment antipasti op tafel gezet waar we helemaal sprakeloos van worden. Daarna kiezen uit ravioli en lasagne, dan uit kalfsvlees en wild zwijn met een gemengde salade, vervolgens wordt fruit aangeboden en dan is het tijd voor de koffie met petits fours en mirtelikeur. We aarzelen tussen blinde euforie en de bedremmelde erkenning dat het geen Pasen meer is. Nou hebben we bij ons favoriete restaurant in Valencia, dat ook Italiaans was, kennis gemaakt met de formule: we blijven dingen op tafel brengen tenzij je zegt dat je iets niet wilt. In Cuglieri zien we om ons heen dat Italianen dat ook hier doen, dus het is duidelijk dat we daarmee in de toekomst gaan oefenen.

Gelukkig hebben we het klimwerk voor de dag achter ons liggen. Op weg terug naar zee stoppen we bij een fietser met twee Ortlieb tassen die ons tegemoet komt maar die bezig is zijn fiets omhoog te duwen, om te vragen of hij hulp nodig heeft. Nee hoor, niets aan de hand, hij houdt alleen niet zo van omhoog fietsen. Charlotte kijkt op haar kilometerteller: we hebben sinds Cuglieri negen kilometer lang onafgebroken gedaald. Deze jongen heeft nog heel wat voor de boeg.

Charlotte in Bosa

Weer een nieuwe dag. Wat rondrijden door een natuurgebied, waar we genieten van groen- en geeltinten en voorbeeldig rustige wegen en waar een stormachtige zuidoostenwind die (jaha) scirocco blijkt te heten zich hoofdzakelijk tegen ons keert. We lunchen op een plaats waar preromaanse overblijfselen liggen en waar dus alleen toeristen zijn. Altijd een slecht idee, en ook deze keer weer: de verrassing die ons hier staat te wachten neemt de vorm aan van twintig procent bedieningsgeld die – onaangekondigd – op de rekening wordt bijgeteld. Mijn vraag hoe dat zit wordt geroutineerd weggewuifd. Nou is het bedrag dat hierdoor uit onze zak geklopt wordt al niet onaanzienlijk, maar belangrijker is het ziekmakende gevoel dat we in een toeristenval getrapt zijn, dat we belazerd worden, dat we beter hadden moeten weten en dat we nu tamelijk machteloos zijn. Gauw betalen en wegwezen, en vergeten. Lukt niet. Het blijft me achtervolgen, de preromaanse overblijfselen kunnen wat mij betreft in de modder wegzakken en ik heb tijdens het fietsen nog een poos een pokkenhumeur. Nog veel te leren.

Hee, een camping met internet. Misschien één van de redenen waarom ze moeilijk te vinden zijn: volgens Italiaanse antiterrorismewetten moeten van iedere internetgebruiker allerlei persoonsgegevens worden opgeslagen. Wie heeft daar nou zin in…