We hebben zomaar per ongeluk een stukje paradijs gevonden. En zijn er dus meteen maar een paar dagen gebleven! En wat is dit Sardinië trouwens een prachtig eiland! Maar even alles netjes op volgorde.

Na een dag in de regen te hebben gezeten en dus niets anders gedaan te hebben dan kleren wassen (die vervolgens met geen mogelijkheid droog te krijgen waren) en lezen, maakten we van de eerste, voorzichtige zonnestralen gebruik om weer op pad te gaan. Met de bedoeling, zoals gewoonlijk, om een dag of vier, vijf te blijven fietsen en dan weer een rustdag in te lassen. Ach, je moet niet te zeer vast zitten aan je plannen…

Op wat met een mooi eufemisme 'ecologische bestrating' genoemd wordt

Bij Oristano in de buurt werd het landschap vlak en polderachtig. Een enkel dorp waarvan de huizen waren beschilderd met folkloristische motieven, verder hadden we zo in Nederland kunnen zijn. Na de lunch, die bestond uit op een picknickplaats genoten pasta, worst, kaas en wijn, en het oversteken van een riviermonding kwam er meteen weer wat meer variatie in de omgeving. Het werd ook meteen beduidend rustiger op straat en het eerste waar we mee geconfronteerd werden voorbij de brug was een t-splitsing waar geen verkeersborden bij stonden. Volgens de kaart moesten we linksaf en zou dan snel een dorp komen. De kaart had het fout. Maar zoveel wegen waren hier niet, dus eenmaal op de goede weg bleven we de goede kant op gaan.

Diezelfde kaart gaf aan dat er een camping in Marina di Arbus was, aan de noordzijde van wat de Costa Verde wordt genoemd. De weg ernaartoe slingerde zich door een woest, grotendeels verlaten landschap tussen een meer oostelijk gelegen grillige bergketen en de zee die trouw in het westen bleef liggen. Verkeer: bijna niet. Behalve wij dan, en we genoten.

Eenmaal aangekomen in Marina di Arbus, een slaperig dorpje waarin alleen een barretje open was, konden we de camping die op de kaart stond (en waarvan ik de vorige dag nog op de website had gezien dat die het hele jaar open was) niet meteen vinden. In het barretje kenden ze hem wel. ‘O die camping? Die is al twee jaar dicht. Maar er is er wel nog één tien kilometer verder naar het zuiden’. Volgens de kaart hield de weg die daarnaartoe ging halverwege op. Ach ja, die kaart… ‘Nee hoor, je kunt er komen. Wel wordt de weg op een gegeven moment onverhard, en je moet twee kleine riviertjes overwaden, maar het kan wel, en het is beslist de moeite waard’.

Charlotte stort zich op de oversteek van de met keien bedekte rivier

Bij het steeds mooier wordende licht van de avondzon vervolgden we onze weg, over de verharde weg, over de onverharde weg, door de riviertjes heen die met hun keienbodem en snelstromende water een soort behendigheidsproef vormden, en uiteindelijk met nog één venijnig klimmetje naar de camping.

Je gelooft niet dat zoiets bestaat. Het ligt midden tussen onbewoonde heuvels, op een paar kilometer van het strand, dat je hetzij via een onverharde weg, hetzij wandelend door duinen die hier tot veertig meter hoog zijn kunt bereiken. Er is een restaurant bij dat op de top van een heuvel ligt en dat kan bogen op een zekere regionale bekendheid, onafhankelijk van de camping. ‘s Morgens dronken we onze koffie en aten we onze ovenwarme croissants bij de eerste stralen van de zon op het gazon aan de ene kant, met uitzicht over de geel-groen gevlekte heuvels, begeleid door het gekwetter van vogels. ‘s Middags werd ons gevraagd of we binnen of buiten wilden eten en toen we zeiden: wat voor jou het makkelijkst is,werd op het gazon een tafel voor ons ingedekt. ‘s Avonds dronken we onze wijn aan de andere kant van de heuvel, op een terras dat speciaal was aangelegd om in alle rust te genieten van het licht van de ondergaande zon. Terwijl gasten van ver weg met de auto kwamen om te eten in het restaurant (naar zee smakende spagghetti met zeeëgels, gegrilde inktvis, mals geitenvlees met rozemarijn) waren we op de camping de enigen en hadden we dus een bos van eucalyptusbomen voor onszelf. We waren van plan geweest één nacht te blijven. Het zijn er drie geworden. De naam van de camping: Sciopadroxiu. Ze hebben ook een paar appartementen. Op de dag van ons vertrek huppelde een wezel langs met een muis in zijn bek, stopte even, huppelde toen verder. Je zou zweren dat-ie kwam laten zien wat hij gevangen had…

Bij Piscinas

We zijn niet verstoten uit dit paradijs. We zijn uit eigen beweging vertrokken. Eruit omhoog gekrabbeld, om vijfhonderd meter hoger in het achterland de enige weg te bereiken die aansloot op wegen naar het zuiden. Dat was nog maar het begin, die dag, we waren nog niet klaar met klimmen.

Wat op onze kaart stond aangegeven als het dorp Piscinas, vlakbij de camping, bleek een over verschillende hellingen verspreide verzameling huizen en gebouwen zonder dak, zonder vensters, zonder deuren. Muren waren gedeeltelijk ingestort en wat niet was ingestort was overwoekerd. Een spookdorp. We waren hier in een voormalige mijnstreek, en het was overduidelijk een mijnstreek waarvan de mijnen gesloten waren. Er was een mijnstreekmuseum, dat ook gesloten was. Herdenkingsborden waarop werd uitgelegd hoe eens mannen voor een hongerloontje in de heuvels groeven, op zoek naar mineralen.

We konden het zien. Het landschap waardoor we fietsten vertoonde diepe wonden. In een tijd waarin de aarde werd gezien als een voorraadkast waaruit naar behoeven kon worden geput werd een schade aangericht die de komende tienduizenden jaren zichtbaar zal blijven. De aarde heelt langzaam.

We klommen tot de vijfhonderd meter hoge pas, daalden terug naar zeeniveau, klommen opnieuw. Het landschap werd al ruiger, ongenaakbaarder, leger. Ongastvrij. Indrukwekkend. Tegen het einde van de dag, na opnieuw vijfhonderd meter klimmen, wachtte ons nog een wegdeel met een stijgingspercentage van 10%. Erachter lag een afdaling van een paar kilometer met 13%, met haarspeldbochten in een soort halve schoorsteen, de enige manier waarop kans gezien was hier een weg aan te leggen. Hier liet het landschap zich van zijn meest eigengereide kant zien. Hier geen vloeiende lijnen om het menselijk oog te behagen, dit was resoluut verticaal terrein. Zelfs daar waar het land de zee tegenkwam bleef het bokken.

En toch was het veroverd. We daalden af naar een baai waarin Sardinië’s versie van het (in Rio meer beroemde en, toegegeven, wat grotere) suikerbrood ligt. Waren verbaasd over hoe die baai eruit zag. En vonden eindelijk, na een lange dag fietsen, onderdak in het enige hotel in de buurt, in het dorp Nébida.

Onze eerste blik op het Sardische suikerbrood, komend vanuit de bergen

 

En onze blik op datzelfde suikerbrood bij het wegrijden, de volgende dag

Nébida maakt ook nog deel uit van een streek die ooit bestond uit en voor de mijnbouw. Onze gastvrouw vertelt dat er in de buurt lood en zink gewonnen werd, en dat de laatste mijn acht jaar geleden gesloten werd. Iedereen in het dorp had met de mijnbouw te maken, er was niets anders. Toen dus de mijnen gesloten werden kregen de ouderen een pensioen mee waar ze van konden leven, maar voor de jongeren is er niets meer te doen, die gaan weg zodra ze oud genoeg zijn. Er is een poging gedaan van de geschiedenis van dit land een toeristische attractie te maken, maar zonder de hulp van de centrale overheid (die zegt: Sardinië heeft al een Costa Smeralda, dat is genoeg) kan er niets ontwikkeld worden. Wij vinden het niet zo erg, het is een prachtige, rustige streek, maar we begrijpen dat de bevolking op een dood spoor zit.

Tijdens de volgende etappe kwamen we langs een bord waarop stond: over vijf kilometer is de weg afgesloten wegens werkzaamheden. Nou hebben we altijd door kunnen gaan met onze fietsen waar aan de weg gewerkt werd, dus we sloegen er niet zo heel veel acht op. Vijf km verderop was de weg echt hermetisch afgesloten met hekwerk en zwaar materieel. Niemand in de buurt. Er stopte een auto naast ons. De bestuurder stapte uit en begon te telefoneren: ‘met ingenieur die-en-die, ik ben hier bij het begin van het werk maar ik kan er niet langs. O, jullie zijn aan het lunchen? Nog niet begonnen met het werk? Trouwens, hier staan ook nog twee fietsers, zal ik die er maar langs laten?’ Hij opende het hek voor ons en opnieuw waren we de enigen die erdoor konden.

Een deel van de weg was verzakt en dreigde in het ravijn te storten, maar met de fietsen konden we zonder probleem langs de zwakke plek. Aan de andere kant was de weg afgesloten met grote keien. Een effectieve manier om de weg af te sluiten, kennelijk: er stond een auto tegenaan waarvan de bestuurder niet op had zitten letten. Airbags opgeblazen, flinke ster in de voorruit aan de passagierskant. De één had niet op zitten letten, de ander had geen gordel om en heeft nu ongetwijfeld een flinke hoofdpijn. Het was waarschijnlijk net gebeurd, de politie stond er nog bij.

De wegafzetting kwam voor deze automobilist als een complete verrassing...

En toen kwamen we toevallig langs een haven van waar boten vertrokken naar het Isola di Pietro. We wilden informatie opvragen en kregen meteen te horen: de boot vertrekt nu, koop maar kaartjes aan boord. En toen zaten we opeens op een boot. En op een eiland. Een prachtig eiland, opnieuw. Maar dit verhaal is al lang genoeg, we gaan het maar eens op het weblog plaatsen. O, o, o… wat is dit toch een mooi land.