Het werd toch iets anders. In plaats van naar Paestum te fietsen en van daar terug te gaan naar Salerno voor de boot naar Messina besloten we die boot meteen maar te nemen, aangezien tempels van het soort dat we in Paestum wilden bekijken ook op Sicilië te vinden zijn en we dan meer tijd hadden voor een rondrit over het eiland. We vonden het verkoopkantoor van de veerboten in de haven, waar een ietwat verongelijkte medewerker ons vertelde dat we hadden moeten reserveren en ons vervolgens toch de gevraagde tickets verkocht. In Messina, waar we om tien uur ‘s avonds aankwamen, vonden we snel een hotel, zodat we de volgende dag uitgerust aan een nieuw eiland konden beginnen.

Het eerste doel: Taormina. Ik had er vage herinneringen aan van een vorig bezoek een jaar of dertig geleden, toen ik er liftend kwam in gezelschap van een jonge Oostenrijker die ik onderweg was tegengekomen en met wie ik een paar dagen optrok. Hij reisde uit noodzaak: hij was zijn land ontvlucht om de dienstplicht te ontlopen en kon niet naar huis omdat hij dan bij de grens opgepakt en in het gevang gegooid zou worden. Hij had geen geld en droeg mijn rugzak in ruil voor het eten dat ik met hem deelde. Zelf had hij geen bagage. In die tijd was Taormina het Saint Tropez van Italië, althans zo herinnerde ik het me, een mooie plaats met veel dure hotels aan een prachtige baai (de Oostenrijker en ik sliepen in die tijd op het strand).

Toen we ‘s middags aankwamen bleek het plaatsje uit twee delen te bestaan: Taormina-aan-Zee, dat wel mooi was maar waar bruin schuim op het water dreef en dat ook verder de vergelijking met Saint Tropez niet helemaal kon doorstaan, en Taormina-Boven, het eigenlijke stadje dat wat hogerop lag en waar een kabelbaan naartoe ging.

Taormina. Zoek Charlotte!

We gingen op zoek naar een camping, gewapend met de aanwijzingen die we van iemand gekregen hadden en die voldoende onduidelijk waren om hem niet te vinden. Intussen waren we de weg ingeslagen die omhoog naar het stadje leidde en dus reden we maar door omhoog, in plaats van de kabelbaan te nemen, zoals we eerder van plan waren geweest. Boven aangekomen bleek uit de aantallen met bussen aangevoerde toeristen uit alle windstreken dat we op een internationaal erkende mooie plek waren aangekomen. Het was een goede gelegenheid om onze voorraad sleutelhangers, hoeden, asbakken en houten treintjes aan te vullen, en verder konden we vanuit een Grieks amfitheater genieten van mooie vergezichten. Dat gedaan hebbende reden we maar weer naar beneden om verder naar het zuiden een camping te zoeken. De Etna was in wolken gehuld; hoe dichtbij hij was zagen we toevallig op een foto in een brochure…

De volgende twee dagen waren een beetje een beproeving. Kan ik nu achteraf nuchter zeggen, maar in die twee dagen hebben we heel wat afgevloekt. Meer dan eens verzuchtte Charlotte: waren we maar langer op Sardinië gebleven!

Het was een combinatie van druk verkeer, fout rijgedrag, slechte bewegwijzering, allerlei dingen waar fietsers heel goed zonder kunnen en die, als ze lang genoeg doorgaan, het fietsplezier goed kunnen vergallen. Gelukkig is er altijd en overal licht aan het eind van de tunnel…

pasta koken aan de kust

De drukke provinciale weg die ongeveer de kust volgt was soms het enige alternatief voor de snelweg, en waar, zoals in Catania, de drukte een constante en trouwe metgezel werd begon het allemaal wat te veel te worden. De herrie, de uitlaatgassen, het om ons heen razende verkeer, dat was al erg genoeg. Daarnaast werd Charlotte helemaal gestoord van de mensen die in het voorbijgaan naar haar toeterden, zeker als het vrachtwagens waren die haar van dichtbij ‘begroetten’ en haar bijna van de fiets bliezen. Denk je daar bovenop eens in hoe verkeer eruit ziet wanneer zulke inconcrete dingen als regels en gevaar niet bestaan. Stopborden zijn kennelijk alleen voor ons zichtbaar want worden door iedereen genegeerd. Inhaalverboden: idem. Uit iedere zijstraat kan een auto komen die pas stopt als hij al halverwege de voorrangsweg staat, dik over de strook dus waar wij overheen fietsen. Meermalen zagen we hoe iemand een weg opreed zonder te kijken, daardoor het verkeer dat voorrang had tot gevaarlijke uitwijkmanoeuvres dwingend. Van iedere geparkeerde auto kan zo het portier open gaan. Veiligheidsgordels worden verfoeid en kinderen zitten bij hun ouders op schoot. Iedereen, tot en met vrachtwagenchauffeurs en buschauffeurs, is aan het bellen en heeft daarbij soms allebei de handen nodig. En dat natuurlijk tijdens het afslaan, inhalen, noem maar op. Hier wordt gemulti-tasked op een voor ons ondenkbare schaal. Hier wordt het lot getart en keer op keer bedwongen. We werden eens ingehaald door een vrachtwagen die op dat moment een kilometer of vijftig reed, met op dertig centimeter afstand midden erachter, in het zog ervan, een wielrenner die een mooie manier had gevonden om nóg harder te gaan. De vele, vele gedenkstenen voor gesneuvelde verkeersdeelnemers die langs de kant van de weg staan vormen geen afschrikwekkend voorbeeld, maar getuigen eerder van het gelijk van degenen die er langs razen: die op de foto, die hebben het niet overleefd, en ik leef nog. Zie je wel?

We hebben er tweeënhalf uur over gedaan om in Catania de uitgang te vinden. Ik was de kaart kwijtgeraakt maar wist dat de provinciale weg die we de stad in hadden gevolgd nog doorging naar het zuiden toe, dus we volgden de wegwijzers die die weg aangaven. We klommen daarbij om het centrum van de stad heen naar wat een randweg bleek te zijn. En stonden toen opeens, zonder waarschuwing, voor een bord: begin snelweg, verboden voor… enz. Omdraaien. Zoeken. Vragen. Secundaire weg naar het zuiden? Keer op keer werden we terug naar de snelweg verwezen die je kennelijk moest volgen om op de secundaire weg uit te komen. Andere weg? Terug naar het centrum, langs de kust? Hoofdschudden. Nee…

Dat wel: iedereen wil helpen. Iedereen heeft tijd voor je, onderbreekt waar ze mee bezig zijn om je uitgebreid te woord te staan. Twee mannen die zittend voor een bandenzaak in gesprek zijn hebben misschien een oplossing voor ons:
‘Ik weet wel waar je moet zijn, maar hoe je er kunt komen… Laat me even nadenken’.
Een auto komt langs, de passagier hang uit het raam en roept iets in het voorbijrijden. De man die voor ons aan het nadenken is herkent de voorbijganger, vergeet ons even en slingert de auto uit alle macht het eerste het beste scheldwoord na dat hem te binnen schiet:
‘Caaa-raaa-biii-nieeeeee-riiiii!’ En gaat weer verder met nadenken.
‘Ja, ik heb het. Als je nou die kant op gaat, dan kom je bij een boord waarop staat dat je er van die kant niet in mag. Dat doe je toch. Dan ga je rechtsaf, onder een brug door, en dan kom je uit bij de groentemarkt. Daar moet je maar even verder vragen, daar in de buurt begint een weg die je kunt volgen.’

Hij heeft gelijk, en we volgen de weg de stad uit, blij weer verder te kunnen. Het gaat een poos goed. Totdat…

Er staat een bord: wegens werkzaamheden is de weg over 550 meter gesloten. Omleiding hier afslaan, via de snelweg. We rijden door, erop vertrouwend dat we met de fietsen wel verder kunnen. Ze kunnen ons toch niet verplichten over de snelweg te rijden?

Deze keer komen we er niet door. Er staat een hek over de weg heen, dat hek is afgesloten, en erachter zien we: geen weg meer, zelfs geen spoor van een weg, en een rivier waar we overheen moeten en waarover ooit een brug moet hebben gelopen, maar ook van die brug is geen spoor meer. We vragen advies aan iemand die er geparkeerd staat. Dat kleine weggetje dat richting zee gaat? Gaat naar zee, houdt daar op, ook daar kun je de rivier niet over. De enige mogelijkheid is de snelweg drie kilometer lang volgen, dan eraf, dan kom je op een andere weg, maar het wordt een beetje een omweg.

Een omweg, ja. Twintig kilometer later komen we terug op onze weg – de enige secundaire weg naar Siracusa in de wijde omgeving – maar dan nu aan de andere kant van de rivier, vlak bij waar we hem verlaten hadden. Doodmoe rijden we een agriturismo binnen om te kunnen slapen. De brug? Al een jaar weg. Lastig, ja.

We krijgen de volgende dag citroenen en grapefruits voor onderweg, ze worden voor ons van de boom geplukt. De citroenen persen we uit om bij het drinkwater te doen, de grapefruits eten we ‘s avonds en ‘s ochtends, heerlijk.

Ook op die volgende dag wacht ons een verrassing: de provinciale weg wordt opeens en opnieuw zonder waarschuwing snelweg. We hebben hier een beetje genoeg van, vinden met wat rondvragen wel weer een alternatief maar rijden Siracusa wat lusteloos door. Opnieuw met rondvragen (de enige manier om betrouwbare informatie te krijgen) vinden we een camping buiten de stad, een oase van rust waar we een dag blijven om Siracusa te bezoeken.

voormalige steengroeve in Siracusa

Siracusa heeft een oud Grieks theater dat tot de grote trekpleisters van de stad behoort en waar we dus langs gaan. We hebben het op foto’s gezien: groot, halfrond, veel oud gesteente, een heuse antiquiteit. Voor acht euro p.p. mogen we het gaan bekijken, en we hebben geluk: er vinden binnenkort wat klassieke uitvoeringen plaats, en voor die gelegenheid is het hele theater onder handen genomen. De stenen die al duizenden jaren zitten te eroderen zijn niet zichtbaar, alleen de mooie moderne houten banken waarmee ze bekleed zijn. Het geeft de oude rommel een frisse uitstraling, en voor wie toch van stenen houdt worden in de onvermijdelijke souvenirwinkels bij de ingang foto’s verkocht van het theater in oorspronkelijke staat.

Grieks amfitheater in Siracusa

Nee, een wat authentiekere beleving wacht ons in de oude binnenstad, waar we urenlang ronddwalen door smalle, verlaten straatjes. De stenen van deze huizen zijn echt. De zee die hier omheen ligt is echt. De koffie die in de bar geserveerd wordt is heel, heel echt. De veldbloemen die ‘s avonds tijdens een wandeling om de camping gewoon prachtig staan te wezen en het gekwetter van de vogels in de bomen zijn heel, heel echt.

In de oude binnenstad van Siracusa

We hebben intussen een nieuwe kaart en vanaf dit punt zijn er weer kleine weggetjes die we kunnen volgen, weggetjes die zich door het land slingeren terwijl de zon schijnt, overal van alles uitbundig staat te bloeien en te wuiven en de enkele auto die langskomt ons langzaam, voorzichtig inhaalt. Hier was het om begonnen, dit was waar we voor fietsen, dit. Het plezier komt terug, de afgelopen dagen zijn al vergeten. Wel lijkt het erop dat de gevolgen van mijn val aan de Amalfikust nog niet helemaal verwerkt zijn. Wat eerder al aanvoelde als gekneusde ribben is, waarschijnlijk door het liggen op een matje op de grond, weer meer pijn gaan doen.

Ik nies.

De pijnscheut die door mijn ribbenkast gaat ontneemt me iedere lust tot ademhalen. Of om welke beweging dan ook te maken. Met moeite stap ik van de fiets, moet even gaan zitten. Inschatting maken van wat er aan de hand is. De bloemen om ons heen zijn nog steeds prachtig, de zon schijnt, het is een mooie dag. Maar ik kan geen beweging maken zonder te wensen dat ik dat niet had gedaan. Het zal wel gaan, zeg ik. Charlotte kijkt me aan.

We zijn gestopt in het eerstvolgende dorp om in een hotel een paar dagen rust te houden. Aardig dorp, strandje, barretje, niets bijzonders en juist daarom de moeite waard. Eten in het hotel waar met zorg van streekproducten iets bijzonders wordt gemaakt. Geen internet, dus nog steeds geen gelegenheid het weblog bij te werken, maar wel een tuin met zitjes, zwembad, rust. Ah. Even een paar dagen niets doen. Dan verder kijken. Komt wel weer goed, hoor.