Siculiana

We komen langs een plaats die ik ken, en toch niet. Ik herken hem omdat ik er een jaar of dertig geleden, toen ik door Sicilië aan het liften was, een foto van gemaakt heb, die daarna als vergroting nog een poos aan de wand gehangen heeft. Maar het was niet meer dan ‘een dorp, ergens in Sicilië’. Geen naam, geen ligging. Ik herken het dus van de foto die ik zelf gemaakt heb en thuis aan de muur had hangen. Het dorp heet Siculiana. Hier zoekt Charlotte een café uit waar alleen oude mannen zitten, die onverstaanbare dingen tegen elkaar zeggen en haar even nieuwsgierig aankijken maar dan weer gewoon doorgaan met onverstaanbare dingen tegen elkaar zeggen.

Als Charlotte dit weblog zou schrijven zou het er wat anders uitzien. Natuurlijk. Maar vooral nu. Ze heeft genoeg van het onophoudelijke getoeter naar haar, het weggedrag dat op drukkere wegen niet vol te houden is, de onophoudelijke obscene gebaren van mensen voor wie ze intussen een scheldwoord heeft dat alle andere overtreft: Italianen. Spanjaarden denken van zichzelf dat ze slechte chauffeurs zijn terwijl wij daar heel anders over denken. Italianen zijn dat echt, terwijl zijzelf daar anders over denken. En nog grof ook. Op grotere wegen zijn we geneigd te generaliseren. Grote wegen zijn niet goed voor de internationale verbroedering. Waarom is eigenlijk ook dat weer een mannelijk woord?

Verkeersopstopping van het goede soort

De kleinere wegen zijn heel anders, natuurlijk. Kleinere wegen vind je zelden langs de kust. Meerdere malen proberen we het toch, genieten we even van een rustige weg, om dan tot de ontdekking te komen dat die helemaal nergens naartoe gaat en we weer helemaal terug moeten.

We besluiten de zee de zee te laten en het binnenland in te gaan. Voordat het zover is vinden we nog iets waar we achter een kudde schapen aanhobbelen en waar, wanneer we klaar zijn om ze in te halen, een herder ons met een brommer voor gaat. Op het geluid van de brommer gaan de schapen opzij, ze duwen elkaar aan de kant. Achter ons nemen ze meteen weer de hele breedte van de weg in beslag. We vinden zelfs een heerlijk rustige camping aan zee, waar we een dag blijven alvorens we aan de oversteek beginnen.

Op zo’n rustdag, waarop ik op mijn gemak de fiets eens uit elkaar kan halen en weer in elkaar zetten (zen and the art of bicycle maintenance!), hebben we bovendien oor voor het gekwetter van vogels in de bomen en het ruisen van de zee, en oog voor kleine dingen als:

Van die helderrode insectjes van niet meer dan een millimeter lang die een mooi, helderrood vlekje maken als je er per ongeluk op gaat zitten. Doet me ergens aan denken. Zoeken we op, de laptop heeft allerlei bronnen van informatie. Maar zoeken helpt niet altijd om iets te vinden, soms helpt het je nog verder van huis. Via een ingeving (‘cochenille’) en Hachette kom ik bij van Dale, en die struikelt over zichzelf: cochenille, scharlakenluis, kermesluis, kermes, scharlaken, karmijn, karmozijn: de betekenissen overlappen elkaar gedeeltelijk, maar het zijn steeds andere delen die overlappen en de rest spreekt elkaar eerder tegen dan dat het iets verduidelijkt. Het enige dat uiteindelijk zeker is: vroeger werd van kleine rode insecten een rode kleurstof gemaakt. Ja, dat wisten we al, dat was immers de reden om te gaan zoeken.

Voor de kleine rode insecten waar we per ongeluk op gaan zitten maakt het allemaal niets uit. Die blijven, in de laatste expressieve daad van hun korte, kleurrijke leven, uiteenspatten tot helderrode vlekjes, zonder dat ze ooit van van Dale gehoord hebben.

De oversteek naar de noordkust brengt alle vertrouwen in het eiland en het fietsen terug. Charlotte heeft op de kaart een route uitgestippeld waar vooral rustige en hele rustige wegen in voorkomen en de kans vrachtwagens tegen te komen dus minimaal is. Na een eerste klim die geleidelijk genoeg gaat om niet in de gaten te hebben hoe hoog we komen opent zich het landschap voor ons. Een lange afdaling brengt ons in een weids dal met door de wind golvend graan en hele velden vol purperrode bloemen.

Iets anders dat ik me herinnerde van die vorige keer, dertig jaar geleden: ik was door een dorp gekomen dat na een aardbeving was verlaten en zag toen onthutst dat door de ramen te zien was dat alle meubels waren achtergelaten, kleren, speelgoed… Maar waar was dat eigenlijk? Ergens in het binnenland.

Charlotte’s route voerde langs Montevago. Hele wijken van ingestorte huizen, overwoekerd, verlaten, terwijl de rest van het dorp gewoon verder leefde. Daarna door Poggioreale. Hm… Poggioreale, dat klonk bekend. In een café kopen we ijs en praten we wat met mensen die nog net te verstaan zijn.

In het oude Poggioreale

De aardbeving, ja. 1968, er vielen weinig slachtoffers omdat het overdag gebeurde en iedereen in het veld was. Maar dit Poggioreale waar we nu zijn, dit is het nieuwe dorp, gebouwd op enkele kilometers afstand van en een paar honderd meter lager dan het oude dorp dat in puin ligt. Het nieuwe dorp is indertijd gebouwd door architecten die het beste met de mensen voorhadden, maar ze waren liever boven blijven wonen. De lucht is hier te vochtig, de huizen te nieuw. Voor de druiven die ze verbouwen krijgen ze geld van de overheid – om ze te vernietigen. Met de komst van de euro is alles twee keer zo duur geworden. En de economische crisis, ach, de economische crisis…

deel van door de aarbeving vernield huis in Poggioreale

We rijden omhoog om naar de ruines te gaan kijken. Er staat een hek aan de ingang van het dorp, en een bord van verboden toegang en zo. Hadden ze ons al verteld: gewoon negeren. En eenmaal in het dorp zien we waarom er eigenlijk geen mensen in mogen. Alles is gelaten zoals het was. Muren staan al jarenlang op instorten. Luiken klapperen in de wind. Spookachtig.

Verder omhoog, over een pas waar de scirocco versnelt en ons aan de andere kant het dal in duwt alvorens weer af te zwakken. Mooie, rustige wegen overal en we blijven uit puur plezier doorfietsen als het tijdstip nadert waarop we normaal een slaapplaats willen hebben. Iets voor Alcomo hoor ik Charlotte zeggen: ach, kijk nou toch! Er probeert iets zwart-wits tegen haar fiets op te klimmen, ze pakt het op, het is een pupje dat veel te jong is om alleen te zijn. Geen huis in de buurt, niets. Een wondje op het hoofd, eenteek tussen de tenen. Ze geeft het diertje water en laat het haar bezwete, zoute huid likken. Zoiets kun je toch niet achterlaten?

Het heeft een poosje geduurd. We hebben heel wat rondgereden op zoek naar een dierenarts, hopend dat die het dier kon opnemen of tenminste een adres van een asiel geven. Na veel vragen en veel goede raad troffen we drie mannen waarvan er één bij het zien van het kleine hondje in Charlotte’s stuurtas kwam kijken, het dier onderzocht, niet één maar twee teken uit de poten trok, verzuchtte: maar ik heb er al twee… En uiteindelijk het hondje in zijn auto zette en zei: ik zorg er wel voor.

We zijn weer aan zee. Een paar dagen in Castellammare, terugkijken op een mooi stuk fietsen, wachten op mijn zussen die voor een week naar Sicilië komen. Genieten van de goede dingen die Sicilië te bieden heeft.

Beeld van Sicilië's binnenland