Sorry dat het even duurde, ik kon in het internet-café wel de foto’s plaatsen, maar niet de tekst…! Hierbij alsnog:

Alia gezien in het avondlicht, vanaf Villa della Mimosa

In Alia begonnen we patronen te herkennen die we later nog vaker zouden tegenkomen. Bijvoorbeeld. Toen we met Calogero, onze gastheer, met de auto op weg waren naar de bar voor koffie en treinkaartjes (die ook in de bar verkocht worden!), kwamen we de bakker tegen die de andere kant op reed. Even stoppen, babbeltje maken: waar ga je naartoe? naar de bar voor (enz.), o ja, dat is leuk. Klaar. Of deze: nadat we de kruidenier hadden verteld over onze fietsreis hoorden we hem, terwijl we al bij de kassa waren en hij nog kaas aan het snijden was, doorvertellen dat we uit Nederland kwamen en dat we op weg waren naar Griekenland.

blijft mooi, mooier dan een file vol auto's; waarom zou dat zijn?

Bij het verlaten van Alia zegt iemand iets tegen ons. We hebben het niet verstaan, maar dat maakt niet uit, het is alleen een uitnodiging voor een praatje. Waar we naartoe gaan, of we iets nodig hebben, waar we geslapen hebben. Alles rustig, zonder nieuwsgierigheid, niet om de boel in de gaten te houden maar om de dingen van de dag met ons te bespreken. Waar we geslapen hebben, trouwens: o ja, bij Calogero, ‘il tedesco’ – de Duitser. Calogero mag dan in het dorp geboren en getogen zijn, op zijn zeventiende is hij in Duitsland gaan wonen en werken, en nu hij terug is is hij ‘de Duitser’.

Ander patroon: we hebben rondgevraagd over de weg naar Caltavuturo. Er staan in Alia geen borden en dus is het rondvragen de aangewezen manier om de weg te vinden. We hebben op de kaart de kortste route gevonden, maar ‘una brutta strada’, wordt er gezegd, we kunnen beter via Valledolmo gaan, dat is sneller. Ah. Wat niet iedereen zich realiseert is dat een omweg van meerdere kilometers voor ons geen snellere weg is. En dat wegen waar geen verkeer is voor ons juist interessant zijn. Hoe vaak werden we ook niet, een poos geleden, naar de snelweg verwezen toen we de weg vroegen in Catania? Als je als fietser de weg vraagt aan een autorijder moet je erg voorzichtig omgaan met het antwoord dat je krijgt.

Eén van de vele, vele frane

De ‘brutta strada’ is één van de mooiste wegen die we hebben bereden, al blijkt hij inderdaad op meerdere plaatsen te zijn weggezakt. Nog zo’n patroon: in het begin fotograferen we verzakte wegen, dat ziet er vaak nogal spectaculair uit. Maar naarmate we de wegverzakkingen vaker tegenkomen worden ze minder interessant. Het woord ‘frana’ (aardverschuiving, wegverzakking) komen we zo vaak tegen dat het al gauw vertrouwd is. De uitleg die we krijgen over wat er gebeurd is: de bodem bestaat op veel plaatsen uit klei. Er is de afgelopen twee jaar enorm veel regen gevallen. Als je klei nat maakt verliest hij zijn samenhang en waar hellingen liggen is het voor de hand liggende gevolg dat die naar beneden schuiven. Tja, dat zien we. In de polder zul je zoiets niet gauw tegenkomen.

Aan de rand van Petralia

We komen langs een agriturismo waar we besluiten te vragen of we er de nacht door kunnen brengen. Een nieuwe verrassing. Mario Dino heeft al dertig jaar een kledingzaak maar heeft daar genoeg van en is dus sinds enkele jaren ook de eigenaar van een zelf gerestaureerde boerderij met wat dieren, fruitbomen en een aantal kamers voor gasten. Zijn vrouw en hij maken van alles zelf, en hij blijft aankomen met kleine hapjes of drankjes en zegt dan: proef eens. Stukjes parmezaanse kaas met sinaasappelmarmelade. Het zoete en het hele kleine bittertje van de marmelade vullen de zoute, droge kaas goed aan en samen maken ze een heerlijke antipasto. Hij maakt spagghetti aglio, olio e peperoncino voor ons, een uitzondering omdat ze eigenlijk een B&B zijn, maar fietsers moeten goed eten. Een plaatselijke wijn erbij die zo sterk is dat hij doet denken aan sherry. Na de pasta komt een gebakken ganzenei, ‘want dat hebben jullie vast nog nooit geproefd’, en maar liefst vier zelfgemaakte likeuren om het eten te helpen verteren. Mario en ik kunnen het goed vinden samen en het is moeilijk weerstand te bieden als hij zegt: blijf toch wat langer.

twee van Mario's huisdieren

De volgende ochtend gaan we nog langs bij Mario in de winkel. Hij heeft geprobeerd cannoli voor ons te vinden voor bij de koffie, een Palermitaanse specialiteit van deeg en ricotta. Hij heeft er geen kunnen vinden, maar biedt ons wel iets anders aan dat met ricotta is gemaakt. We reizen verder, de verbazingen blijven komen. Petralia is een dubbel dorp van grote charme, gelegen bovenop een helling van waar het uitzicht eindeloos is. Gangi ligt over een heuvel heen gedrapeerd met de Etna op de achtergrond. Nicosia overziet een liefelijk landschap vanaf zijn smalle straatjes en de huizen die trots de grens aangeven tussen het dorp en het niets. En overal opnieuw maken we een praatje, vertellen we ons verhaal en vinden we een gewillig oor. En vragen we, en ontdekken we dat de mensen de tijd nemen om te antwoorden. Dit binnenland is ongekend, onvermoed. En zo de moeite waard.

Gangi, met op de achtergrond de Etna

Er is een uitzondering. Cesarò is een dorp dat er een beetje uitspringt. Het is schitterend gelegen, hoog boven de omringende dalen, niet ver van de Etna die alleen in de oude dorpskern door een rotspartij aan het gezicht onttrokken wordt. Er zijn maar liefst twee hotels, wat uitzonderlijk is, maar het ene blijkt op donderdag gesloten en in het andere, dat wordt gedreven door een hoogbejaard echtpaar, zijn we de enige gasten. Het is moeilijk te zien hoe hier twee hotels kunnen bestaan, het is kennelijk geen plaats waar veel mensen stoppen. Die indruk wordt versterkt als we door het dorp lopen. Er hangt een onbestemde sfeer. Er zijn mensen. Kinderen zitten op een bankje, een vrouw staat op een balkon. Buiten de gelateria hangt wat jeugd rond, voor de bar zitten oude mannen. Deze mensen hebben allemaal iets gemeen. Ze praten niet met elkaar, ze hebben geen bezigheden, ze kijken alleen maar: naar ons. Allemaal, en allemaal tegelijk. Met blikken waarin geen interesse ligt, geen verwondering, helemaal niets eigenlijk. We worden van alle kanten uitdrukkingloos nagestaard totdat we uit het gezicht verdwenen zijn. Dit is niet een dorp dat gewend is aan bezoekers. We vragen aan de oude vrouw in het hotel of we de enige bezoekers zijn. Neehee, zegt ze heel beslist, een week geleden waren er nog een paar Zwitsers, ook met de fiets. Aha.

Op één van de kraters van de Etna

In Randazzo, dat aan de (noordelijke) voet van de Etna ligt, komen we langs een reisburo waar we naar binnen gaan om te kijken of ze uitstapjes naar de vulkaan hebben. Er wordt meteen van alles voor ons geregeld en een paar uur later zitten we in een Pajero op weg omhoog. Niet, zoals een brochure die we hadden gezien deed vermoeden, naar drie kilometer hoogte waar we in kolkende, kokende, gloeiende kraters zouden kijken, nee, dat gebeurt alleen in folders. We gaan tot naar 1700 meter, en komen wel allerlei wetenswaardigs en onvermoeds te weten. Zoals: de Etna heeft behalve de hoofdkraters een paar honderd nevenkraters, plaatsen waar in de loop der tijden lava door naar buiten is komen stromen. Begroeiing van een nieuwe lavastroom begint met mossen, maar pas honderd jaar later slaagt brem er in de wortels in de harde lava te doen groeien. Iets anders: in 2002 werden tijdens een uitbarsting de skigebieden aan de noord- en zuidkant weggevaagd. Een skigebied op de helling van een vulkaan loopt nu eenmaal een zeker risico… Maar intussen zijn op de zuidhelling alle faciliteiten herbouwd, met hulp van de overheid, terwijl in het noorden niets is gebeurd. Ja, in het zuiden liggen grotere steden, zoals Catania, waar cruiseschepen aankomen, hotels liggen, restaurants en touringcarbedrijven floreren. In het zuiden valt meer te verdienen voor politici die naar gunsten dingen dan in het noorden, waar al deze infrastuctuur ontbreekt. Ook al horen we het verhaal maar van één kant, het is herkenbaar. Intussen heeft Alessandro niets te zoeken aan de zuidkant, dat is niet zijn gebied.

Charlotte krijgt takjes brem van Alessandro

Na Randazzo besluiten we via de Gole dell’Alcantara naar de kust te rijden. Deze gole (gorges in het Frans, kelen oftewel kloven in het Nederlands) zijn het gevolg van een aantal natuurfenomenen.

Le gole dell’ Alcantara

Eerst was er een kleine vulkaan, die ouder is dan de Etna maar nooit tot dezelfde afmetingen heeft kunnen uitgroeien omdat hij maar één keer is uitgebarsten. De lava van die uitbarsting stroomde naar zee en stolde. Toen kon het tweede proces beginnen. De rivier die de lava opeens op zijn pad vond sleet daarin langzaam en geduldig een nieuwe bedding uit, milimeter voor milimeter, totdat er kloven ontstaan waren waar nu toeristen uit alle windstreken op afkomen.

Dit is voor ons een overgangsgebied tussen het binnenland met zijn rust, zijn vriendelijke mensen en zijn adembenemend mooie landschappen, en de kust.

De kust… wanneer we er later op de dag aankomen wordt meteen weer duidelijk waarom we hem verlaten hadden. We worden allebei bijna van de sokken gereden door iemand die al bellend uit een parkeerplaats wegrijdt. Het lawaai is opeens weer overal. De restaurants zijn duur.

En wanneer we twee dagen later Messina binnenrijden heb ik aan vijf minuten in de stad en een net ontweken motorrijder die door rood rijdt genoeg om de stop uit het eiland te willen trekken, net lang genoeg om de kust onder water te laten lopen maar het binnenland te sparen.

Het is niet helemaal eerlijk, ik realiseer me dat wel. De verdeling kust – binnenland is niet zo zwart-wit, niets is ooit zwart-wit. We hebben op Sicilië ook plezierige kustplaatsen ontdekt. Maar de werkelijke charme, die ligt in het binnenland. En daarbij komen we bij het laatste patroon dat de afgelopen tijd duidelijk is geworden: we zijn gaan waarderen wat niet bekend staat als ‘moet je bezocht hebben’. Wat Sicilië de moeite waard maakt zijn niet de toeristische attracties maar de onbekende, onverkoopbare dingen: toevallige ontmoetingen met mensen die de tijd nemen om iets van hun erfgoed met je te delen of gewoon even met je te praten, tomeloze uitzichten vanaf dorpen waar geen bussen met bezoekers komen, de geur van lentebloemen die niet wordt overstemd door voorbijrijdende vrachtwagens, de keuken van generaties die het moet hebben van verse streekproducten, eenvoud en heel veel liefde voor het koken, verrassingen die je overal te wachten staan en die geen verrassingen meer zijn als ze in een brochure voorkomen. We hebben dit alles meegemaakt. Gelukkig.

Raad eens? We zijn overgestoken naar het vasteland en hebben net treinkaartjes gekocht voor Bari, en kaartjes voor de boot van Bari naar Patra(s). Het wordt tijd voor een nieuw land, en naarmate we meer kijken naar wat nog vóór ons ligt groeit de overtuiging dat wat we in gedachten hebben eigenlijk helemaal niet haalbaar is vóór de komende winter. Dan maar af en toe een stukje niet fietsen.