Het is waar, wie naar de Cycladen is gekomen zonder plan en zonder reisbiljetten, wie niet elders belangrijke dingen te doen heeft, wie geproefd heeft van een leven, een godenzoon waardig, wie de gast is geweest van mensen voor wie gastvrijheid zo natuurlijk is dat het vele generaties geleden al aangeboren moet zijn geweest, wie heeft geleerd te leven op het ritme van verlammend warme dagen en verkoeling brengende nachten en heeft aanvaard dat die dagen zich niet langer aaneen smeden tot weken maar elkaar gaan opvolgen zonder zich van elkaar te onderscheiden – die loopt ernstig het risico niet meer weg te gaan.

Ormos Aegialis, de baai van Aegiali

We kwamen aan op Amorgos, keken om ons heen, zagen een kaal landschap en een op het eerste gezicht onbeduidend havendorp, slikten even, en besloten te wachten met een eerste oordeel. Na het even vriendelijke als complete vakantie-eiland Paros deed het kleinere Amorgos een tikkeltje karig aan. Daar heb je het al, toch stiekem een eerste indruk. Onterecht.

Karig? Ha! Dan heb je niet gerekend met de eigenares van de camping die ons, wanneer we vroegen wat er te eten was, meenam naar de keuken om te laten zien wat er die dag gemaakt was. En die na de maaltijd kwam vragen of het gesmaakt had, dreigend keek als we zeiden: goed! en tevreden als we daaraan toevoegden: héél goed! En Themis, geboortige Athener, die ‘s zomers op het eiland werkt en die met zijn humor, zijn pretogen, zijn lichte spot en de tijd die hij altijd nam om een praatje met ons te maken al snel een onmisbare verschijning werd. En dan hebben we het nog helemaal niet gehad over de vele, vele hoekjes op het eiland die je gezien moet hebben, maar waar je de tijd voor moet nemen.

baai op Amorgos

Die tijd hadden we wel. Naar het oosten, de richting waar we heen wilden, gingen er bijna geen boten, en als we probeerden een plan te maken raakten we de weg kwijt tussen de vele, vele maatschappijen die in Griekenland rondvaren, de onregelmatige schema’s, de verschillende tijdvakken en de niet echt behulpzame internetsites waarop informatie te vinden zou moeten zijn. Vonden we een boot naar Astypalea, ging er weer niets verder naar Kos. En zo. En dus was het meestal: poosje kijken op het internet, zuchten, en dan het maken van een plan uitstellen tot de volgende dag. Lamaar, komt wel. En intussen.

het klooster chozoviotissa (één van de mogelijke transscripties) op Amorgos

Intussen: we fietsten het eiland over, dagtochtje zonder bagage. Pittige klim van een meter of zevenhonderd met een constante helling van een kleine tien procent tussen Aegiali en Chora, en dat op een dag waarop de zon al stomend boven de horizon kwam en met het uur genadelozer werd en de wind, die nog verkoeling had kunnen brengen, het af liet weten. We verkenden andere delen van het eiland per bus en per scooter, zwommen in verscholen baaitjes, maakten voor het eerst sinds een jaar weer eens een duik (er was geen vis… waarom was er geen vis? wel veel inktvissen, en een mooie grot waar licht in filterde door openingen in de rots als door het gebrandschilderde raam van een kathedraal; bij het aan land komen zagen we hoe een visser zijn gevangen inktvissen op de rotsen sloeg om ze minder taai te maken), doolden rond in dorpjes aan zee en in de bergen, het één nog pittoresker dan het andere. Overal: rust. Witte straatjes, witte huizen, café’s met stoelen in lichte pasteltinten voor de deur, en geen mensen….. rust.

En we bezochten het klooster dat ook, zij het maar af en toe en alleen op de achtergrond, voorkomt in Luc Besson’s film ‘Le Grand Bleu’. Vrijwel alleen zichtbaar vanaf het water, ingebed in een stijle rotswand, moet dit ooit een belangrijk klooster geweest zijn. Het rotspad ernaartoe biedt mooie gezichtspunten, het deel van het klooster dat geopend is voor bezoekers beperkt zich tot twee met foto’s van prelaten en ikonen beklede ruimtes, en wie dit in zich opgenomen heeft krijgt, als teken van gastvrijheid, turks fruit, een glas water en een glaasje likeur aangeboden.

met zorg gebouwde, maar nu verlaten, akkers in de heuvels

Er wonen, voor zover ik weet, nog twee monniken in het klooster. Het leven van de kloosterling weet niet velen meer te bekoren. Het was niet het enige effect van veranderde tijden dat we zagen. Verspreid over het eiland lagen akkertjes die in de loop van de eeuwen met veel hard werk in de hellingen van de bergen moeten zijn aangelegd en bebouwd, maar die er nu verlaten bij liggen. Wie is er immers nog bereid onder een brandende zon te ploeteren om een mager bestaan bij elkaar te sprokkelen, als het toerisme een zoveel eenvoudiger inkomstenbron is?

Op zondagochtend ging om half vijf de wekker. We hadden zowaar een besluit genomen, we hadden besloten verder te gaan voordat dat onmogelijk zou worden, voordat het ondenkbaar zou worden ooit nog ergens anders heen te gaan. Op zaterdag waren we van Aegiali, de haven waarbij we de week hadden doorgebracht, met onze bagage gefietst naar Katapola, de andere haven die het eiland heeft en van waar een wekelijkse boot naar Kos zou vertrekken. Nogmaals de pittige klim die we al kenden, deze keer met wat zwaardere fietsen, maar we waren vroeg vertrokken en hadden deze keer wat bewolking en wind om ons te helpen. Het was uiteindelijk een rechtstreekse boot naar Kos geworden, want van daar konden we oversteken naar Bodrum in Turkije, en Turkije was aan het trekken.

boven de haven van Katapola

Zozeer zelfs dat toen we in Kos aankwamen met de boot, we rechtstreeks naar het dichtstbijzijnde reisbureau gingen om tickets voor een paar uur later naar Bodrum te kopen. En dat was ook eigenlijk wel een goed idee. In die paar uur die we op Kos hadden door te brengen werd duidelijk dat we waren aangekomen op een heel ander soort eiland dan waar we met zoveel plezier aan terug dachten.

Kos heeft een vliegveld. En dat verandert alles. We wisten ons omringd door grote drommen mensen die er een paar uur over gedaan hadden om hier te komen, waar wij al acht maanden onderweg waren. Maar dat is niet alles. Kos heeft behalve een vliegveld ook wijken met alleen maar bars, en stranden vol bedjes en parasols, en straten vol mensen die minder kleren aan hebben dan ze thuis dragen, want ze zijn op vakantie. Vakantie op Kos onderscheidt zich niet van vakantie op andere strandbestemmingen met vliegvelden. Het zag er nauwelijks anders uit dan Phuket.

Prima, best. Het heeft zijn plaats. Wij waren al op weg naar Turkije. In eerste instantie naar Bodrum, en dan het binnenland in.

De grensformaliteiten gingen verrassend soepel. Bij de douane werd Charlotte gevraagd of ze de papieren bij zich had. Papieren? Ja, van de fiets. Charlotte werd bleek. De douanier barstte in lachen uit. Was maar een grapje! We werden doorgewuifd. Turkije. Ah. Nieuwe wereld.