Over het afrekenen met een ongegronde vrees, een Turk die geen Turks verstaat, een huilende zwerver en meer.

Bodrum, Turkije

Bodrum was prettig genoeg. Weliswaar is ook aan deze kant van het water een vliegveld en is de ‘hoofdstraat’ een aaneenschakeling van restaurants van waar opmerkingen opklinken als ‘hello gorgeous’ en winkels die zijn ingesteld op het publiek met de gekleurde armbandjes van de all-in resorts. Maar bovendien is Bodrum Turks, en een vakantiebestemming voor Turken, en dat maakt dit een hele vriendelijke plaats om het land binnen te komen. We hebben te maken met mensen die hun Engels op ons uitproberen en die ons wat eerste Turkse woorden bijbrengen, terwijl de eigenaar van het pension waar we onderdak vinden, een beminnelijke vijftiger, in Grenoble gestudeerd heeft en blij is Frans met ons te kunnen spreken. In Bodrum zoeken we wegenkaarten voor de weg die voor ons ligt, maar alles wat we vinden zijn wat kaarten van het hele land, met een schaal van 1:1.000.000. Tot nu toe hebben we hoofdzakelijk kaarten gebruikt met een schaal van 1:200.000, en die hadden zonder uitzondering te weinig detail. Dus hoe we nu verder gaan… ben benieuwd.

de buitenband had niets, de binnenband twee scheurtjes

We zijn nog maar amper Bodrum uit, en er gebeurt eindelijk iets waar ik al heel lang aan heb zitten denken. Vroeger was een lekke band iets waar ik bijna dagelijks mee te maken kon krijgen, maar met het materiaal dat we nu hebben zijn er twee dingen veranderd: geen lekke banden meer, en tegelijkertijd ‘de lekke band’ als omineus dreigement aan de horizon. Dat het een keer moest gebeuren stond al vast, maar dat het bijna niet meer voorkomt bracht onzekerheid. Het eenvoudige feit dat fabrikanten eraan hebben gewerkt om lekke banden te verhinderen en dat ze dus bijna niet meer voorkomen maakte het gegeven ‘lekke band’ tot iets bijzonders en maakte mij nerveus. Stom hè.

er kwam meteen hulp

Oké, er haalt me dus een auto in, die raakt met zijn rechterachterband een trekhaak die midden op de weg ligt, die trekhaak schiet weg en komt voor mijn voorwiel, er is geen ontwijken meer aan en ik knal er bovenop. Lekke band dus, en ik ben al blij dat er geen spaken gebroken zijn, of erger. Twee scheurtjes in de binnenband, snel genoeg gerepareerd. Er komen werklui bij kijken die de buitenband binnenstebuiten draaien om naar scherpe voorwerpen te zoeken en een hoge-drukspuit hebben waarmee in een wip de band is opgepompt (ze komen zelfs op het idee om de fietspomp te demonteren om daar de hoge-drukspuit op te kunnen zetten, misschien kunnen we daarmee in de toekomst nog ons voordeel doen), maar het belangrijkste is dit: de lekke band is niets bijzonders meer, ik kan hem nog repareren, hier hoef ik niet meer bang voor te zijn. Eigenlijk was er nooit iets om bang voor te zijn. Vrees overwonnen. Advies aan toekomstige lange-afstandsfietsers: prik je eigen band lek en repareer hem, dan heb je dat maar gehad.

We klimmen uit Bodrum weg via een hoofdweg waarover aardig wat verkeer gaat: auto’s, vrachtwagens, heel veel bussen en busjes die op weg zijn naar het vliegveld of naar andere steden in de buurt. Op sommige plaatsen, en dat gaan we nog wel vaker zien, wordt gewerkt aan verdubbeling van het aantal rijstroken. Daar kunnen we rijden over het aangestampte, maar nog niet rijklare, deel van de weg om op die manier de ergste drukte te vermijden. Niettemin is dit eerste deel van onze reis door Turkije een beproeving door het lawaai en het rijgedrag van het drukke verkeer: het duurt niet lang voordat we ons realiseren dat we onderaan de pikorde staan, en dat we op tweebaanswegen beter de berm in kunnen sturen als er achter ons iets groots komt, en voor ons ook. Dat neemt niet weg dat er regelmatig naar ons getoeterd wordt op een manier die niets te maken heeft met het getoeter waar we in Italië gek van werden: in Turkije bedienen chauffeurs zich van de claxon om ons hun groeten toe te toeteren. Zeg maar. Aanmoedigingen, steunbetuigingen, blijken van instemming: goed getoeter.

vaak is de nog onvoltooide uitbreiding van de weg voor ons het veiligste deel ervan

We stoppen bij een restaurant langs de weg. Een oudere man komt kijken wat we willen. Kunnen we hier eten, gebaren we. ‘Gözleme’, zegt hij. We kijken zoals van ons verwacht kan worden, waarop hij nog eens zegt: ‘Gözleme’. Ja, wij zijn ook blij dat we hier zijn, maar kunnen we eten? Hij haalt er iemand bij die wat Engels spreekt. Die legt uit dat er kebab is, en salade, en iets dat gözleme heet; hij haalt iets ongebakkens uit de keuken, laat het ons zien. Aha, het is een soort pannenkoek, gevuld met aardappel of kaas. Doe dat maar dan, twee. En tegen de tijd dat die op zijn en we voelen dat we meer nodig hebben heb ik al in het boekje dat we in Bodrum gekocht hebben opgezocht hoe je moet zeggen: mag ik alsjeblieft één kebab en één salade. Ik vraag het aan de oude man. Hij kijkt me aan. Ik vraag het nog een keer. Hij pakt een pen en papier, schrijft daarop een bedrag. Veertien Turkse Lira. Ik voel dat dit niet helemaal goed gaat. Ik kijk nog eens in het boekje, probeer iets anders. ‘Ik wil nog een kebab en een salade. Alstublieft’. Hij kijkt me weer aan, weet niet wat te doen. Ik ook niet. Ten slotte komt weer de ander die wat buitenlands spreekt, die maakt wat moeilijke gebaren, wijst op zijn pols waar geen horloge op zit, zegt uiteindelijk: OK. En we krijgen wat we wilden hebben. Het is de eerste keer dat we op taalmoeilijkheden stuiten, maar het zal niet de laatste keer zijn. Het verwonderlijke is hierbij dat we denken dat we iets heel eenvoudigs vragen en dat we daarmee op grote misverstanden stuiten. Niet met iedereen, gelukkig, er zijn mensen die in staat zijn af te leiden wat we bedoelen te zeggen.

De volgende dag komen we langs een man die meteen het woord ‘zwerver’ in gedachten brengt: zijn verwilderde haren, lange baard, gescheurde kleren en stoffige gelaat hebben allemaal ongeveer dezelfde kleur. Vlak naast hem ligt een roestige fiets. Niets dat op bagage lijkt. Hij kijkt ons verbijsterd aan. We fietsen langs hem heen.

Waar we later zitten te lunchen komt hij voorbij. Hij kijkt aarzelend naar ons, maakt aanstalten naar ons toe te komen, wordt door het personeel weggestuurd maar krijgt nog wel een stuk brood mee. Kauwend op het brood zet hij zijn reis voort.

We blijven hem die dag nog regelmatig tegen komen. Op een gegeven moment zien we hem voor ons omhoog lopen, zijn fiets aan de hand. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat hij huilt. Hij huilt, met lange uithalen, gierend, roept de god der mohammedanen aan. Zijn gehuil weerklinkt tussen de rotswanden, vormt een muur van chagrijn waar we bijna niet doorheen durven te fietsen. We besluiten hem wat geld te geven, genoeg voor het soort maaltijd dat we net gehad hebben en hij niet. Hij loopt nog steeds omhoog met zijn fiets aan de hand. Gierend. Wij fietsen en halen hem langzaam maar zeker in. Op het moment dat hij ziet dat ik hem inhaal schrikt hij op uit zijn verdriet, stoot hij een kreet van ontzetting uit, draait om, lijkt te willen vluchten, naar beneden. Verbouwereerd fietsen wij door, om pas hogerop te stoppen. Hij kijkt naar ons, nog steeds verbijsterd, we houden geld in de lucht, leggen het demonstratief neer aan de kant van de weg, met een steen erop, en wat koekjes. We kunnen alleen maar hopen dat hij het begrepen heeft.

We zullen het nooit weten. We zien hem later thee drinken bij een theehuis, en nog een laatste keer, verwoed omhoog fietsend op de verkeerde kant van de weg. Dan blijft hij onzichtbaar. Het is me liever zo. Een figurant die te vaak in je leven opduikt heeft iets verontrustends.

Bij 'Geyik kanyonu' (Deer Canyon), een kloof die plaatselijk 850 meter diep is

Die eerste dagen krijgen we heel wat klimwerk voor onze kiezen. Verbaasd zien we op dag twee dat we twee passen van boven de duizend meter over gaan, volgens de borden die dat aangeven. Het is zwaar werk, maar dat we zoveel aan het stijgen waren hadden we niet gedacht. Het weer zit mee: de hitte van Griekenland is voorlopig afgelopen, de dagen zijn bewolkt en de nachten zelfs bijna koud. De omgeving is prettig voor het oog, afwisselend dennenbos en droger, meer geopend terrein met overal oleander. Minder en minder dorpen en steden, dat wel. Het lijkt erop dat die kaarten met de veel te grote schaal toch alle wegen laten zien die we nodig hebben, want behalve doorgaande wegen zijn er bijna geen; zelfs dorpen zijn er weinig meer. Op die tweede dag ‘s middags, tegen de tijd dat we al niet meer durven te hopen op een echte maaltijd en ons instellen op het zoeken naar een plek voor de tent komen we langs een eenzaam restaurantje langs de weg, hoog op een berg. We worden er goed ontvangen door de eigenaars en hun twee dochters en eten forel van eigen vijver en groente van eigen land. Op onze vraag of er een hotel in de buurt is antwoorden ze eerst: ja hoor, over 33 kilometer, en dan, bij het zien van onze blikken: hebben jullie een tent? dan zet je die hier toch gewoon neer?

de eerste Turkse tekst op onze tassen

Vanaf dat moment zijn we niet langer betalende gasten, maar gasten van het huis. We zetten de tent op en gaan met de jongste dochter Engels en Turks oefenen en krijgen intussen van alles aangeboden: zonnebloempitten, pistachenoten, komkommer, honingmeloen, perziken, watermeloen. De rekening wordt eerst weggewoven en dan omgezet in een te laag bedrag. Ik probeer te protesteren en doe daar waarschijnlijk, ondanks de goede bedoelingen, geen goed mee. Het is nog even leren. De volgende ochtend krijgen we nog van alles toegestopt, zodat we goed gevuld, zeg maar, verder gaan.

We komen niet ver: iets verderop, als we even stoppen om een laagje kleding uit de doen voor een nieuwe klim, worden we meteen uitgenodigd om thee te drinken. Het is een bouwkundig ingenieur die ons meeneemt in zijn kantoor, waar wat tekeningen van een stuwdam aan de muur hangen maar waar verder niet zo veel gebeurt. Hij spreekt een klein beetje Engels, weet ons te vertellen dat hij in Tadzjikistan, Kiev en Noord-Irak gewerkt heeft en verontschuldigt zich herhaaldelijk voor zijn slechte Engels. Het enige dat wij kunnen doen is hem complimenteren met wat hij kan zeggen en hem helpen met het terugvinden van woorden die hij vroeger kende. Bedachtzaam kijkt hij even voor zich uit, vraagt dan: houden jullie van Turkse koffie? en roept een bediende.

Dit is het Turkije waar we over gehoord hebben: de gastvrijheid, de zo vanzelfsprekende manier om onbekenden uit te nodigen en het ze naar de zin te maken. Dit te mogen meemaken is een groot voorrecht.

zo dreigend was het niet hoor, al hebben we wel al een goeie bui meegemaakt

We klimmen naar Kale, een plaatsje dat in meerdere opzichten een overgang inhoudt. Hier is niets meer over van de westerse sfeer van de Middellandse Zeekust, hier zijn we al in een ander Turkije. De straten zijn gevuld met wandelende mensen, kooplui die kleding of watermeloenen verkopen, en een enkele auto die daar voorzichtig tussendoor laveert. Van achter hun glaasje thee kijken mannen ons na, vrouwen dragen zonder uitzondering een hoofddoek, en een rok over een broek. Om kwart voor vijf ‘s ochtends wekt ons de oproep voor het ochtendgebed.

En dan blijkt ook het landschap te veranderen. Terwijl we naar Kale toe klommen leek het alsof het dorp aan een bergpas lag, maar ‘s ochtends fietsen we aan de andere kant door een met koren begroeide vlakte die pas verderop door heuvels wordt omzoomd. Zouden we hier op een hoogvlakte zijn? Dorpen waar we later op de dag langs komen geven aan dat we boven de 1100 meter zitten.

We komen bij een tweesprong en moeten kiezen: rechts of links. We bekijken nog eens de opties. Rechtsaf betekent waarschijnlijk hoog blijven maar voorlopig geen plaatsen van betekenis tegenkomen, terwijl we eigenlijk een rustdag nodig hebben. Linksaf betekent afdalen naar Denizli, waar we een rustdag in kunnen lassen, en waar ook het (kennelijk) beroemde Pamukkale in de buurt ligt, waar mensen vanuit de hele wereld naartoe komen en wat we dus niet mogen missen. We gaan linksaf.

Tegen de tijd dat we Denizli ontwaren schrikken we. We hebben al een hele tijd gedaald en de stad ligt nog een stuk lager. We wisten niet dat het zo’n grote stad was… het soort stad waar je als fietser niet graag komt, vanwege… (lawaai, verkeer, uitlaatgassen, drukte, afijn, dat weet de oplettende lezer al). En daarvoor hebben we dus al die hoogte opgegeven, hoogte die we terug zullen moeten winnen wanneer we weer op weg gaan? En het lag niet eens op de route… We gaan door een rondje ‘maar ik dacht dat jij zo graag…’, ‘nee, jij’, en weten terwijl we de stad door fietsen dat we een grote fout gemaakt hebben. We besluiten verder te gaan naar Pamukkale en daar niet één, maar twee dagen te blijven, om ook zeker te zijn dat we Nederland-Slowakije niet hoeven te missen.

Het lijkt erop dat we toch niet zo’n hele grote fout gemaakt hebben, maar daarover later meer!