Boem. Zo kun je het zien. Er was een vóór en een ná de boem. Ervoor ging alles goed, erna was opeens alles anders. Oh, niet de hele tijd, nee. Zoals het hoort zijn er momenten waarop het leed geleden lijkt, van die momenten waarop je tegen jezelf en tegen de wereld zegt: het ging even niet zo goed, maar nu is alles overwonnen. Pas nadat je dat een paar keer tegen jezelf en tegen de wereld gezegd hebt dringt het besef door dat je dit kent, dat je dit eerder hebt meegemaakt, dat je alweer jezelf en de wereld aan het bedotten bent. Zeggen ‘het is nu verwerkt’, voordat het verwerkt is, dat is je reinste bedotterij.

Op het gevaar af de lezer te vermoeien heb ik het alweer, nog steeds, over dat ongeluk in Turkije waarvan ik me niets herinner. Dat ongeluk dat zo goed was afgelopen. Dat ongeluk dat ik al een paar keer afgesloten heb als ‘klaar, verwerkt’.

Terwijl ik wacht op Charlotte die nog in Nederland is ben ik me in Thailand op de toekomst aan het bezinnen. Ik lees, ik bekijk de Spaanse, Franse, Canadese, Russische films die ik huur bij de dank zij Cor gevonden videotheek, ik probeer mijn Thais wat bij te spijkeren – maar de wil om dit alles te doen, de niet te stuiten wil om nieuwe dingen te doen en te leren, die is er niet. Voor het eerst in drie jaar, voor het eerst sinds het begin van de voortzetting van de reis is het moeilijk redenen te vinden om wat dan ook te doen. Voor het eerst is het antwoord op de vraag: waarom doe ik dit? niet gewoon: omdat ik het kan. De fietsreis is ruw onderbroken en de vooruitgang die daarin zat, de rustige, gedoseerde opeenvolging van landschappen en klimaten, is niet vervangen door nieuwe plannen die toch eigenlijk vanzelf hadden moeten komen, zoals ze tot nu toe steeds vanzelf gekomen zijn. Tekenend is ook dat het fototoestel al twee weken onaangeroerd in de hoek ligt.

Is dat een gevolg van de klap? Je zou het haast denken. Stel het je maar voor: je bent rustig en gestaag aan het bewegen, je hebt een doel en een middel, je vervult een rol die bij je past. Je bent als een kever die nietsvermoedend en onbezorgd aan het keveren is, en opeens gaat er een beer op je staan. Daar ben je wel even beduusd van natuurlijk, zelfs nadat je je gelede poten hebt uitgestrekt en hebt ontdekt dat je het nog doet. Vanaf dat moment zie je overal beren op de weg.

Er is ook een andere context waarin het ongeluk bekeken kan worden.

We waren door Turkije aan het fietsen naar een onzekere toekomst toe. Etnische troebelen in Kirgizië, de door aardverschuivingen en overstromingen onbegaanbare Karakoram Highway, politieke onzekerheid in Iran, grote delen van Pakistan onder water. En daar kwam nog bij dat Charlotte so wie so al geen zin had in het Centraal-Aziatische deel van de reis en van plan was dat deel over te slaan. Je kunt zulke dingen negeren en gewoon doorgaan, totdat iets of iemand ‘stop’ zegt.

Een romanschrijver zou, als het verhaal fictief was geweest, in de aanloop naar het ongeluk wat hints hebben toegevoegd om de lezer en de hoofdrolspelers voor te bereiden op komend onheil. Zoals: tijdens de reis door Turkije realiseert de mannelijke hoofdpersoon, waarvan we intussen weten dat die helemaal leip is van talen leren, zich dat het hem niet lukt Turkse woorden te onthouden. Op dat moment is nog niet duidelijk waaraan dat ligt of hoe het verhaal zich verder ontwikkelt, maar het is duidelijk dat er iets anders is dan anders. Of dit: de fietsbanden waarvan we als lezer weten dat ze bijna niet lek te krijgen zijn raken juist in Turkije lek. Of dit: in Turkije komen de eerste situaties voor waarbij de fietsers zich serieus in gevaar gebracht voelen. Op een nauwe, sterk hellende dorpsstraat probeert iemand een auto te starten zonder de handrem erop. Zodra de koppeling wordt ingetrapt en de rem losgelaten, rolt de auto, snel vaart meerderend, achteruit, op twee fietsers af die geen kant op kunnen. Alleen hun geschreeuw brengt de chauffeur ertoe op de rem te trappen voordat er iemand onder de auto geraakt. Dat laatste, waargebeurde gegeven heb ik nooit beschreven om niemand ongerust te maken, maar laat het aan de romanschrijver over, die niet dezelfde overwegingen heeft, om dat te vermelden. De lezer krijgt een ongemakkelijk gevoel en begint op zijn stoel heen en weer te schuiven.

Op de fietsers, die zich de schrijvers van hun eigen verhaal wanen, hebben deze hints nauwelijks indruk gemaakt; ze vervolgen hun reis. De schrijver, die ze een zekere vrijheid heeft gelaten, moet concluderen dat de boodschap niet is overgekomen en dat hij ze op een andere manier tot staan zal moeten brengen. Hij heeft een zachte hand en uit zijn pen vloeit een ongeluk dat net voldoende indruk maakt om verder fietsen in Turkije onaantrekkelijk en ongeloofwaardig te maken, zonder evenwel permanente schade toe te brengen.

Want de littekens die van het ongeluk overblijven kun je geen permanente schade noemen. De fiets is niet blijvend beschadigd, al is er een specialist aan te pas gekomen om hem te repareren. Wat overblijft: twee hoofdrolspelers die zich realiseren dat het verhaal een wending genomen heeft maar die die wending nog niet goed kunnen interpreteren. Die ervan overtuigd zijn dat de schrijver ze, in zijn eindeloze wijsheid, uitgerust heeft met een eigen wil, maar die ook begrijpen dat ze moeten wachten op tekens die ze in staat zullen stellen die wil in dienst te stellen van het verhaal waaraan ze meedoen.

Ja, zo zou je het ook kunnen zien. En toch zie ik ons liever als de schrijvers van ons eigen verhaal. Met alles wat daarbij hoort: af en toe verschil van mening over de te volgen verhaallijn, verschillen in schrijfstijl, en een enkele keer een periode van writer’s block. En dan, vroeg of laat, onvermijdelijk weer een moment van inspiratie, en hele hoofdstukken die moeiteloos ontstaan.