Schitterend. Nadat de wereld ademloos heeft toegekeken hoe de Chileense mijnwerkers die ruim twee maanden diep onder de grond hadden vastgezeten naar de oppervlakte werden gehaald en commentatoren zich uitputten in het beschrijven van het belang van dit voorval voor de Chileense nationale identiteit, verscheen op een Thaise nieuws- en blogsite een verslag van een soortgelijke reddingsoperatie in Bangkok die ongeveer gelijktijdig tot een succesvol einde is gebracht. Drieëndertig voetgangers die dik twee maanden lang hadden geprobeerd Sukhumvit Rd over te steken zijn in een spectaculaire reddingsactie naar de overkant gebracht.

Het is een parodie natuurlijk, die met veel humor kanten van het leven in Thailand belicht die grotendeels aan de toerist voorbijgaan maar die erg herkenbaar zijn voor wie al wat langer in het land heeft doorgebracht.

De humor is een wapen en een schild. De site waarop dit verhaal verscheen is één van de bekendste onafhankelijke bronnen van nieuws en opiniestukken in Thailand, en die onafhankelijkheid wordt duur betaald. Een week of drie geleden hoorde ik voor het eerst van Prachatai toen de Bangkok Post berichtte over de arrestatie van de webmaster i.v.m. een aantal (twee jaar oude) vermeende overtredingen van ‘s lands beruchte wetten tegen computermisdrijven en majesteitsschennis waarvan algemeen bekend is dat ze worden misbruikt om afwijkende geluiden te doen verstommen en die volgens Reporters Sans Frontières (artikel in het Engels) in dit geval kunnen leiden tot een gevangenisstraf van 82 jaar. Wat was er gebeurd? Lezers van de site hadden reacties geplaatst die konden worden opgevat als kritiek op het koningshuis. Die reacties waren door de webmaster verwijderd. Maar niet snel genoeg. En dat was precies de stok die de overheid nodig had om een lastige stem tot zwijgen te brengen. Want kritiek op het koningshuis, daar wil je niet eens van verdacht worden, dan is je vonnis eigenlijk al getekend. Zoals ook andere onafhankelijke geesten zich dagelijks in allerlei Thaise gevangenissen zitten te realiseren.

Het is verleidelijk door te gaan in deze toonaard en nog wat meer kanten van de Thaise samenleving te noemen die niet helemaal stroken met het beeld van ‘het land van de glimlach’ dat de bezoeker steeds aarzelender wordt voorgehouden, maar daar word je niet vrolijk van. Liever wat zeggen over hoe veerkrachtig de Thaise bevolking nog steeds is en hoe, ondanks de gewelddadigheden waarop de jongste uitingen van volksonvrede zijn uitgelopen, in het dagelijkse leven het lot met een glimlach wordt gedragen.

In het guesthouse waar we verbleven werken jonge mensen die zo vriendelijk zijn dat je je meteen thuis voelt, met zo’n vriendelijkheid die van binnenuit lijkt te stralen. Ik vroeg eens naar hun werktijden. Simpel. Wisseldiensten van acht uur lang, zes dagen per week. Die ene dag vrij per week, werd me lachend verteld, die moet natuurlijk wel verdiend worden, dus eens in de week wordt er zestien uur aan een stuk gewerkt. De verdiensten zullen niet veel afwijken van het minimumloon, dat in de stad (officieel) op vijf euro per dag ligt.

Dan is er ook nog die ene jongen van de receptie. Die heeft een volle baan, maar gaat ook nog vijf dagen per week, zes uur per dag, naar een talenschool om Engels te leren. Pas als zijn Engels goed genoeg is kan hij gaan solliciteren bij een luchtvaartmaatschappij voor een baan als steward, want dat is waar hij naartoe werkt. Steward bij een buitenlandse maatschappij die op Bangkok vliegt. Thai Airways niet, want daarvoor moet je niet alleen goed Engels spreken, maar ook nog in het juiste milieu geboren zijn. Dit soort dingen worden verteld met een glimlach, vol optimisme. Dit zijn geen moeilijkheden, dit is het leven, zo zijn de kaarten gedeeld, en met die kaarten wordt gespeeld. Bewonderenswaardig.

Mijn visum liep tegen zijn eind, we hadden nog niets van de school gehoord en we besloten in Maleisië te gaan duiken in afwachting van nieuws. Drie jaar geleden waren we al eens op Mabul en Sipadan geweest; ons toenmalig verblijf in het backpackerresort en ‘duikcentrum’ van Uncle Chang was niet voor herhaling vatbaar, maar aan de eilanden en het onderwatergebeuren hadden we hele goede herinneringen. Ome Chang’s concurrent Scuba Junkie bestond ook toen al maar is intussen uitgegroeid tot een goed geolied bedrijf waar kwaliteit, gastvrijheid, veiligheid en betaalbare prijzen de ingrediënten zijn van een formule waar je als gast alleen maar blij mee kunt zijn.

Grappig. Drie jaar geleden waren we gekomen voor Sipadan en hadden we daarnaast, bijna per ongeluk, ook wat duiken rond Mabul gemaakt. Het was in de tijd dat we ‘macro’ en ‘muck diving’ nog maar net begonnen te waarderen, en ook al was Mabul toen al bekend als een plaats waar je met je hoofd in het zand gaat zoeken naar kleine of perfect gecamoufleerde wezentjes, bijna onzichtbaar spul dus, Sipadan gold met zijn vele schildpadden, grote scholen vis en gekleurd koraalleven als één van de meest gewaardeerde duikbestemmingen in de wereld. Dat ligt intussen heel anders.

Om te beginnen wordt op Sipadan streng de hand gehouden aan een dagelijks maximum van 120 duikers, en velen reserveren maanden van tevoren om niet teleurgesteld te worden. Het zijn vooral groepen Aziaten die je er voorbij ziet komen, en de passerende duiker moet geluk hebben om een dagje mee te kunnen op een opengevallen plaats. Maar verder zijn Mabul en de omliggende eilanden intussen volledig ontwikkeld tot duikbestemmingen met veel van wat Sipadan te bieden heeft. En ten slotte kun je de gevorderde duiker geen groter plezier meer doen dan hem dat spul aan te bieden waar een paar jaar geleden nog maar weinigen voor warm liepen: de minuscule pygmy seahorse die zo moeilijk te vinden zijn dat ze tot voor kort zelfs niet bekend waren, de vele soorten frogfish die perfect stil zitten en bijna niet van hun omgeving te onderscheiden zijn, de garnaaltjes en krabbetjes die je in, onder en tussen koralen, planten, sponzen en dergelijke moet zoeken, en de ontelbare andere dingetjes die je niet zomaar tegenkomt en waar een heel leger duikgidsen zich in gespecialiseerd heeft: cockatoo waspfish, harlequin shrimp, leaf scorpionfish, ghost pipefish, peacock flounder, afijn, duidelijk. En voor al dat moois moet je op Mabul zijn, en op omliggende eilanden zoals het verrassende Siamil.

Vanaf Scuba Junkie’s resort op Mabul wordt het water heel geleidelijk dieper naarmate je de zee in gaat, zo geleidelijk dat er een loopbrug voor nodig is om de pier te bereiken die een eind van het strand zeeïnwaarts ligt. vanaf die loopbrug heb je een mooi uitzicht over haveloze kinderen die in het water spelen en de van drijfhout in elkaar getimmerde hutjes waar ze wonen. Oudere mensen scharrelen ertussendoor, maken een vis schoon, koken rijst of vullen hun dagen met rondhangen op scheepjes die eenzelfde aanblik bieden als de hutjes. Dit dorp ligt ingesloten tussen twee resorts en de bewoners zijn allang gewend geraakt aan de buitenlanders die vanaf de brug naar ze kijken.

Deze mensen woonden al op dit eiland, op dit strand, voordat de resorts kwamen. Maar niet eens zo lang daarvoor: het zijn Filippino’s waarvan wordt gezegd dat ze zich een jaar of vijftig geleden hier zijn komen vestigen, al is vestigen een groot woord. Het zijn uitzichtloos arme mensen. Sommigen hebben werk gevonden in de resorts maar anderen hebben niets anders dan kleinschalige visvangst om zich te voeden. De kinderen gaan niet naar school, volgens de één omdat ze illegaal zijn, volgens anderen omdat de ouders het schoolgeld niet kunnen betalen. Het is een situatie die we eerder in afgelegen delen van Sarawak hebben gezien en die ook daar, ondanks de goede bedoelingen van een enkeling die zich ervoor inzet verandering te brengen, verzandt in de onwil van bijna alle betrokkenen. Aan arme mensen valt weinig eer te behalen, aan illegalen al helemaal niets. Ze worden getolereerd, dat is al heel wat. En dat de meesten van deze Filippino’s intussen zijn geboren op het Maleisische eiland waar ze wonen verandert niets.

Eén van de redenen is ongetwijfeld dat we hier wel heel erg ver van Kuala Lumpur zijn. Verder weg kan bijna niet, en Semporna, het dorp aan de kust van waar de boten naar Mabul vertrekken, komt over als een oerwoudversie van het wilde westen. Temidden van de stank van ontbinding die uit doorgeroeste afvalcontainers komt bevinden zich kantoren van duikorganisaties en door Chinezen of Maleiërs gedreven restaurants. In die restaurants blijkt wat op kaart te staan vaak niet verkrijgbaar te zijn en is wat je gebracht wordt zelden wat je besteld hebt, hetgeen de buitenlander het verfrissende gevoel geeft niet het middelpunt van het heelal te zijn. Op straat lopen Maleise vrouwen in hun kleurrijke baju kurung tussen beduidend luchtiger geklede westerlingen. Kleine Filippijnse kinderen roepen ‘hello’ naar iedere buitenlander en plakken er soms (je kunt het altijd proberen) nog het woordje ‘ringgit’ aan vast. Auto’s rijden rondjes. Het zijn vooral grote geïmporteerde pickups en plaatselijk gemaakte Protons die door de eigenaars van een persoonlijk tintje voorzien zijn: verlaagd chassis, blauwe verlichting onder de wagen die leuk reflecteert op het wegdek, roze langharig tapijtje op het dashboard, diepe bassen die opklinken uit open ramen. De altijd levendige markt van het dorp ligt aan het water zodat er een bijna ononderbroken aanvoer van vis is. Verderop staan mannen langs de kant van de weg met grote zilverkleurige vissen in de hand. Ze houden ze omhoog om ze te laten zien aan passerende auto’s, die vaak ook stoppen om de vissen in de achterbak te laten verdwijnen. Niet iedereen heeft een auto. Dit is een land waar je niemand een hond zult zien uitlaten maar waar iemand die met een vis in de hand op straat rondloopt geen opzien baart.

We wachten. Op nieuws. Maar niet lang meer.

p.s. Nadat Charlotte gisteren een sms gestuurd had (we hadden alleen een mobiel telefoonnummer waar we om nieuws konden vragen) kregen we vandaag per email bericht dat er geen posities voor leraren vrijkomen. En mochten we bij aanvang van het volgende schooljaar nog geïnteresseerd zijn, gelieve dan enzovoort.

Oké. Plan B.

20 oktober: Reporters Sans Frontières heeft net een nieuwe ranglijst uitgebracht van landen met meer of mindere persvrijheid. Thailand komt dit jaar op de 153ste plaats (van in totaal 178 landen). En komt daarmee slechter uit dan b.v. Pakistan, Afghanistan en Rusland. Maar nog steeds beter dan Iran, Birma en Noord Korea…