Ik stap de bus in met een biljet van vijf ringgit in de hand. Vijf ringgit is er één teveel (we zouden twee ringgit per persoon moeten betalen om terug naar George Town te rijden), maar in de bus krijg je geen wisselgeld, en daar heb ik me bij neergelegd. Toch aarzelt de chauffeur alvorens het aan te nemen.

De dame achter me maakt gebruik van de aarzeling door haar geld neer te leggen, te zeggen: two, en door te lopen. Bijdehand, wacht niet op het kaartje van de bestuurder. Ze ziet er nogal blond en zelfbewust uit en dat accent, ook al was het maar in één woord, dat komt me bekend voor.

Tijdens de rit zie ik haar naar voren gaan en hoor ik haar zeggen tegen de chauffeur: Sir… Geen reactie. Nog eens, iets harder: SIR… Het klinkt alsof ze ‘zeur’ zegt, maar dan met een s. Het accent is niet meer te missen.

Ik hoor wat ze verder zegt, althans het eerste deel. ‘It is so cold. Everybody has it so very cold’. Dat laatste is niet het resultaat van een enquête onder de passagiers, het gaat om een zuiver persoonlijke ervaring. En vervolgens vraagt ze of de airco wat minder koud gezet kan worden. Fuk de anderen.

Br… beste lezer, u begrijpt waarschijnlijk niet waarom dit bij mij kippenvel veroorzaakt.

Paar jaar geleden, in Seoul. De taxichauffeur rijdt auto op de manier die veel van zijn collega’s met hem delen: een dot gas, trap op de rem, een dot gas, trap op de rem. Zo gaat dat. Eén van mijn reisgenoten, een (hele) jonge Nederlandse, trekt het niet meer en zegt tegen de chauffeur, die geen woord Engels verstaat: ‘SIR [zelfde accent] can you PLEASE drive normal???’

Is dit hetzelfde soort zelfverzekerdheid dat iemand doet zeggen: ik weet dat dit een islamitisch land is, maar ze wennen maar aan mijn bikini?

Ze wennen maar aan mij.

En: maar je hoeft toch niet alles te pikken?

Degene die vraagt of de bus minder koud gemaakt kan worden valt beslist op in een land waar zoiets niet gedaan wordt, om de eenvoudige reden dat niemand (bijna niemand) koning is. De passagiers van een bus hoor je niet, zie je niet, die vallen in slaap en worden op wonderbaarlijke wijze wakker als ze op hun bestemming aankomen. De buschauffeur, trouwens, gromde wat, knikte wat, en deed vervolgens niets. En terecht.

Ik zit ernaar te kijken en doe alsof ik er niet ben.

Dit onderwerp moet ik voorzichtig aanpakken. Ik heb me altijd al verbaasd over de manier waarop mijn landgenoten het buitenland overnemen alsof het van hen is, op de kinderlijk naïeve manier van wie niet twijfelt aan zijn gelijk. Maar Charlotte blijft me eraan herinneren dat mijn kijk hierop gekleurd is en zelf ook onderzocht moet worden.

Vanochtend stonden we op de hoek van een straat, wachtend op een goed moment om over te steken. Een auto passeerde ons en stopte een paar meter verderop. We hoefden alleen nog een brommer voorbij te laten gaan om verder te kunnen. De brommer stopte pal voor ons, wachtend tot de auto doorreed.

‘Kijk, dat vind ik nou irritant’, zegt Charlotte, ‘dat gebeurt zo vaak, ze hebben niet eens door dat je wilt oversteken en dat ze gewoon in de weg gaan staan. Maar daar heb jij het nooit over. O, en in Bangkok, als je wilt oversteken, gaat er altijd een taxi pal voor je staan’.
‘Anders nog iets wat je irritant vindt?’, vraag ik.
‘Ja, jij kunt ook best wel irritant zijn’.
Terwijl ik hierom grinnik rijdt de brommer door en kunnen we oversteken. Vrijwel meteen daarna moet de brommer uitwijken voor een andere brommerrijder die zonder op of om te kijken de weg op komt. Reken er niet op dat die boos aangekeken wordt: dit is een doodnormaal gebeuren waar niemand van opkijkt. Zo is dit land. Zo is Azië. Niet druk maken. Azië bevalt me wel.