In het Khao Sok National Park kunnen lange wandelingen gemaakt worden door het oerwoud, langs een rivier die in meerdere stroomversnellingen en rustige poelen uitgebreide mogelijkheden biedt om even af te koelen.

Charlotte had geopteerd voor de korte versie van de afritsbroek, maar na de derde bloedzuiger kwam ze op die keuze terug en werden de lange pijpen aangeritst. Ik had tegen die tijd nog nooit zo’n beest gezien, maar ze had ze iedere keer ‘weggeschoten’ voordat ik de kans had gekregen ze te bekijken.

Op een gegeven moment… ‘Kijk, daar loopt er één’, zei ze, wijzend op een deel van het pad waar ik net overheen had gelopen. Wat daar ‘liep’ was een onooglijk klein wormpje, dat kennelijk had gemerkt dat er een gastheer voorbij gekomen was. Met een verbazende snelheid en stuipachtige bewegingen die deden denken aan die van een viervoeter holde het diertje over de stenen, om zich af en toe even op te richten om links en rechts te speuren naar mijn aanwezigheid, en zich vervolgens hals over kop langs de stenen naar beneden te storten, op weg naar de enige maaltijd die het de komende zes maanden nodig zou hebben. Het had pech, er was één factor die in zijn nadeel werkte: we hadden hem gezien.

Moeilijk voor te stellen dat dit was begonnen als een heel dun wormpje...

Niet, echter, de volgende, die zijn kans schoon zag toen we midden in het riviertje op een aantal rotsblokken onze zwemkleding aantrokken om in het snelstromende water rond te gaan hangen. Evenmin de daarop volgende, die kans moet hebben gezien in mijn sokken te kruipen, om te wachten tot ik die weer aantrok en daarna op zijn gemak aan de binnenkant van de verdedigingslinie (bergschoenen, lange broek, broekspijpen in de sokken) aan het werk te gaan.

Niets van gevoeld...

Maar terug naar de rotsen. Charlotte zag hem achter mijn enkel zitten; ik had niets gemerkt. Terwijl ik gefascineerd het langzaam opzwellende lijfje bij mijn enkel bekeek dacht ik met weemoed aan het ruisende, warme, helderrode, mijn zelfgemaakte bloed, dat nu aan mijn lichaam werd onttrokken om een parasiet te voeden.

Er was, zoals men weet, een tijd waarin de aderlating gold als panacea voor alle denkbare lichamelijke klachten. Toen deze therapie zijn geloofwaardigheid had verloren begon de bloedzuiger in plaats van waardering vooral huivering te wekken. Er gaat natuurlijk ook iets dreigends uit van iets dat aast op je bloed en geen toestemming vraagt alvorens het zich toe te eigenen.

De huivering is niet helemaal terecht. De bloedzuiger doet zijn werk zonder dat zijn gastheer er iets van merkt. Hij doodt niet om te overleven, hij doodt zelfs niet per ongeluk. Hij neemt niet meer dan hij nodig heeft, en niet meer dan zijn gastheer kan missen. De bloedzuiger is het soort parasiet dat parasieten een goede naam zou kunnen bezorgen. Een voorbeeldige parasiet, zeg maar.

Iemand vertelde me dat de bloedzuiger de laatste jaren weer gericht wordt ingezet bij de genezing van b.v. gewrichtsaandoeningen. Als dat waar is mag je veronderstellen dat het dier geleerd heeft van zijn rampzalige pr-fouten en nu bezig is aan een come-back.

Misschien gaan we nog meemaken dat een kind vertederd naar een huisdiertje kijkt dat zich op zijn arm volzuigt, intussen roepend: ik kom eraan, mam, ik ben nog even Sukkie aan het eten geven!