Krabi, vlakbij het centrum van de stad

Om van Krabi uit richting Trang te rijden heb je, voor zover wij weten, geen keus: de drukke weg de stad uit sluit aan op Phetkasem, de doorgaande weg nummer 4, die we tot nu toe zo veel mogelijk gemeden hebben. Dat wij geen keus hebben betekent ook dat het overige verkeer geen keus heeft…

Het is afzien. We worden overdonderd door het verkeersgeweld om ons heen. Knetterende vrachtwagens en razende bussen kunnen ook nergens heen en rijden dus vlak langs ons. Schuin ingeparkeerde pick-ups steken achteruit de weg op zonder te kunnen zien of die vrij is. Brommers komen behoedzaam aan de rand van de weg tegen het verkeer in rijden. De brommers die wel de goede kant op gaan vullen onmiddellijk ieder gaatje op dat tussen de auto’s ontstaat. En daar waar een vluchtstrook is, staan vaak auto’s geparkeerd die ons dwingen de weg op te gaan, tussen het twee rijen dik rijdende snelverkeer. Wat een pokkenweg! Hier heb je als fietser helemaal niets te zoeken, je kunt beter je fiets thuis laten dan in dit soort omstandigheden te gaan fietsen.

Na een kilometer of twintig wordt het wat rustiger, maar de verkeersherrie blijft iedere vorm van genieten onmogelijk maken. Onder het motto ‘als waar je bent je niet bevalt, ga dan ergens anders heen’ blijven we fietsen, totdat we aan het eind van de dag ten zuiden van Si Kao op een strand aankomen dat kennelijk populair is bij Thaise dagjesmensen en vakantiegangers.

Een paar dingen vallen op aan Haad Paak Meng. Engelse teksten zijn vrijwel afwezig. Winkeltjes met hoeden, zonnebrillen en strandbenodigdheden ook. Voor de huisjes en kamers is overal parkeergelegenheid, omdat Thais natuurlijk niet met openbaar vervoer komen maar met hun eigen auto. En, heel belangrijk: tussen de boulevard en het strand staan enkele rijen bomen, in de schaduw waarvan overal tafels en stoelen staan opgesteld. Zelden tafels met vier stoelen, vaker acht of tien. Thais houden van gezelligheid en gaan naar zee om met zijn allen in de schaduw van de bomen uitgebreid te eten.

Overal gelegenheden om te stoppen en plaatselijke produkten te kopen

Naarmate we verder rijden naar het zuiden komen we vaker terecht in Thaise motels van het soort dat we zo langzamerhand beginnen te kennen: ergens achteraf in een dorp, onvindbaar tenzij iemand je de weg wijst of je toevallig de borden tegenkomt en kunt lezen. In La Ngu denken we een boot naar Koh Lipe te nemen, één van de meest zuidelijk gelegen Thaise eilanden waarover we gehoord hebben, maar Koh Lipe heeft geen aanlegsteiger, mensen worden van de veerboot opgehaald met langstaartscheepjes, en dat is met de fietsen geen doen. Door naar Satun.

Het land is intussen stoffiger geworden, de mensen hebben een donkerder huidskleur en hun zuidelijke dialect is onverstaanbaar. Maar daar weten ze wel wat op. Hun idee van ‘verstaanbaar zijn voor de buitenlander’ is niet, zoals verder naar het noorden: proberen Engels te praten, maar: Bangkok-Thais. Ongeveer zoiets als een bewoner van de randgebieden van Nederland die ervan overtuigd is dat de Japanse toerist hem wel verstaat als hij in plaats van Brabants, Limburgs, Achterhoeks of Gronings maar ABN spreekt. De vanzelfsprekendheid waarmee dit gebeurt is aandoenlijk.

Maleise gelaatstrekken komen meer en meer voor. Lange tijd zien we zowel moslims als boeddhisten om ons heen, totdat uiteindelijk de moslims duidelijk in de meerderheid zijn. In Chalung, vlak voor Satun, valt één monnik op die, als ware het vanzelfsprekend, tussen honderden moslims loopt. Het is een bedrijvig dorp, waar goederen van over de dichtbij gelegen Maleisische grens worden verhandeld en waar Thais en Maleisisch naast elkaar en door elkaar worden gesproken. De sfeer is die van de grensdorp, en er is geen twijfel mogelijk: we zijn hier echt in het Verre Zuiden.

Satun is een best plezierige plaats. Op het eerste gezicht is er niets te beleven, en dan komen er wat verrassingen: een markt, een groot aantal plaatsen waar pannen met prachtige curries en salades uitgestald staan, een prima restaurant waar alle overige gasten elkaar groeten als bekenden en waar we, nu het nog kan, genieten van een hele vis in chilisaus (pla krapong raad prik), groentesoep met tofu (kaeng yehd tau hu) en een salade van ‘wing beans’ (yam tua pu). En een café (@On’s) waar de paar westerlingen die in deze contrijen voorbij komen vanzelf lijken aan te spoelen en waar allerlei nuttige informatie te krijgen is over veerboten naar nabij gelegen bestemmingen. Het blijkt dat we vanuit Penang, een andere keer, gemakkelijk met veerboten naar Langkawi en dan naar Koh Lipe en Koh Tarutao kunnen gaan voor een duiktrip. Gaan we zeker een keer doen.

Voor nu: morgen naar Langkawi. Paar dagen hangen en dan door naar huis. Langkawi: het Verre Noorden.