Op Langkawi zochten we eerst tevergeefs een slaapplaats op Pantai Tengah en besloten toen verder te zoeken op het ernaast liggende Pantai Cenang, waar verreweg de meeste guesthouses zijn en dus de kans iets te vinden, zo dachten we, groter zou zijn. We vonden inderdaad een kamer in het niet onaardige guesthouse van een gepensioneerd vlieger van Iran Air en zijn Japanse vrouw. Maar.

‘Langkawi is vreselijk’, was de mening die ik me tegen de avond gevormd had. Het liefst was ik meteen weer op de fiets gestapt om het eiland met de eerste de beste boot te verlaten. ‘Langkawi is niet mijn kopje thee’, was de wat gekuiste versie van die mening de volgende ochtend. Want ‘vreselijk’ klinkt zo… vreselijk, en er zijn genoeg mensen die helemaal blij worden wanneer ze in Maleisië in een Indiaas restaurant ook pizza en spaghetti carbonara kunnen bestellen, die het niet erg vinden als ze in een restaurant met Maleise keuken ‘s morgens alleen toast en eieren kunnen krijgen en wier hart sneller gaat kloppen wanneer ze het strand betreden en overal parasailers, jetski’s en door jetski’s voortgetrokken ‘bananen’ zien. Die mensen, daar zijn er zelfs honderdduizend van. Op Pantai Cenang.

Het pellen van de kokosnoot m.b.v. een in de grond geplaatst mes

Een tocht met een gehuurde scooter liet zien dat Langkawi nog veel meer gezichten heeft. Zodra je het drukke toeristenstrand verlaat kom je in een andere wereld. In de dorpen eilandinwaarts wordt geleefd alsof er helemaal geen buitenland bestaat. Tussen de bergen liggen vlaktes met rijstvelden, altijd een lust voor het oog. En aan de noordkant van wat ik voor het gemak ‘het eiland’ noem maar wat in feite één van de eilanden is van een hele archipel liggen rustige strandjes waar je het warme zeewater niet hoeft te delen met gemotoriseerd vermaak.

Bij de loketten waar kaartjes verkocht werden voor de boten naar het vasteland hebben we nog even geaarzeld. Naast het loket voor Kuala Kedah werden kaartjes verkocht naar… Penang. Ergens trok het wel: paar uur varen, zelfde avond nog thuis. Maar aan de andere kant… Het werd Kuala Kedah. We kwamen er vroeg in de middag aan, te laat om te proberen nog in één ruk naar huis te fietsen. Maar goed ook: de geschatte tachtig kilometer die ons nog restten zouden er bijna honderd blijken te zijn. Aan onze kaarten van Thailand en Maleisië kleven heel wat nadelen. Wegen staan er niet op of zijn verkeerd ingetekend. Wegnummers: idem dito. Plaatsnamen die op de borden langs de weg staan zijn op de kaarten niet terug te vinden, en omgekeerd. Maar het meest verbazende is misschien nog wel dat op geen van de kaarten afstanden staan.

Kuala Kedah had één hotelletje, gelegen in de lucht van de vissershaven en de troep van straten die nooit worden schoongemaakt. Weinig gebruikte Engelse woorden als ‘squalid’ en ‘fetid’ borrelden vanzelf vanuit het onderbewuste naar boven als de meest toepasselijke omschrijvingen. Het hotelpersoneel maakte het ons eenvoudig door in deze deprimerende omgeving een te hoge prijs voor de kamer te vragen. We stapten op de fiets en vonden onderdak in Alor Setar, in een tegenover het dure Regency gelegen, kleiner en betaalbaarder hotel dat met Maleisisch gevoel voor humor de naam ‘Regent hotel’ had gekregen.

Weg van het soort dat we graag zien. Links: een papayaboompje.

Een mooie laatste etappe, de volgende dag. Rijstvelden lichtten geel-groen op in het licht van de zon, dorpelingen zaten te vissen in de sloten voor hun huizen. Schoolmeisjes in hun wit-blauwe schooluniformen met hoofddoek riepen ons giechelend wat toe. Het was vrijdag; de moskeeën puilden uit tijdens het middaggebed. In Tanjung Dawai lieten we ons in een klein bootje overzetten naar de andere kant van de rivier; de dichtstbijzijnde brug was ver landinwaarts en bruggen zijn natuurlijk lang zo leuk niet als kleine bootjes. Aan de andere kant zaten hele gezinnen, volledig gekleed zoals het hoort, in het water en op het strand. Een enkele nieuwsgierige blik ging de kant op van de twee Europeanen die uit het bootje sprongen om hun fietsen en heel veel tassen het strand op te dragen, heel even maar, toen hervond het leven zijn normale ritme.

Inschepen voor de overtocht. Foto: Charlotte

Met nog een kilometer of twintig te gaan naar de veerboot kregen we Penang in zicht, en dat gaf ons vleugels. De veerboot was een oude bekende: het is de voor de hand liggende manier om op Penang te komen als je met de bus of de trein in Butterworth aankomt, op loopafstand van de veerhaven. Nog een zegetochtje door Chulia Street en een ‘hallo, daar zijn we weer’ over Gurney Drive, en toen reden we de oprit van ons appartementengebouw al op, waar de Nepalese bewaker, die ons van verre had zien aankomen, verrast zijn bewakershuisje uitkwam en ons opgewekt langs de openzwaaiende slagboom dirigeerde. Het was een mooie manier om thuis te komen. Thuis? Ja inderdaad, thuis.