Ume in bloei

In het verleden heb ik me wel eens afgevraagd waarom talen zulke verschillende moeilijkheden inbouwen, van die moeilijkheden die het de buitenlander schier onmogelijk maken ‘één van hen’ te worden. Neem Duits, Spaans, Russisch: grammatica die zo ingewikkeld is dat je schrikt. Thais: hoge tonen, lage tonen, vallende tonen, stijgende tonen, probeer die maar eens meester te worden. Japans: een grammatica die totaal afwijkt van de onze, en het schrift…

Het antwoord dat dan vanzelf bij me opkwam lag juist in de vraag besloten, in die  moeilijkheden die de buitenlander ondervindt bij het ‘één van hen worden’: het was om dat te voorkomen. Een taal, bedacht ik, is een mechanisme dat als verdediging tegen de boze buitenwereld kan worden opgeworpen, iets dat juist bedoeld is om de binnenlander binnen en de buitenlander buiten te houden. Ongeveer zoals Noord-Afrikaanse steden een medina hebben: een centrum dat niets minder is dan een doolhof, waar je weliswaar binnen kunt komen, maar waar je, eenmaal binnen, compleet de weg kwijt raakt.

Zo zal het wel niet zijn. Er bestaan verschillende theorieën over het verband tussen taal en mens, over hoe de mens zijn taal vormt, of omgekeerd, hoe de mens door zijn taal gevormd wordt. De tegenwoordig populaire versie is dat taal niet bepaalt hoe mensen de wereld zien, maar ontstaat door wat mensen in een bepaalde context nodig hebben. Maar er is, geloof ik, niemand die heeft durven opperen dat taal bewust als obstakel gebruikt wordt om buitenstaanders buiten te laten staan. Het lijkt alleen af en toe zo.

Toch kan het obstakel ook juist een uitdaging vormen. Toen ik al enige tijd geleden begon aan Japans leren was dat omdat ik regelmatig in een land kwam waar ik niets van begreep en waar ik me niet verstaanbaar kon maken. Een beetje van de taal, dacht ik, is al genoeg om daar wat aan te doen. Maar al doende, al lerende, al verder komend, werd en word ik meegezogen in een stroom die me alleen maar verder laat gaan. Meer grammatica maakt meer woordenschat nodig, en meer woordenschat maakt het aantrekkelijk te leren lezen, en voordat je het weet ben je niet meer ‘een beetje’ aan het leren maar zit je tot over je oren in de kanji en is verder gaan vanzelfsprekend, nee zelfs onvermijdelijk geworden. Het heeft iets verslavends. Begin eraan, en je komt in een traject waar je alleen nog maar vooruit kunt.

De winter loopt op zijn eind

Geheel in overeenstemming met de Japanse volksaard is niet alleen de taal, maar ook het leren van die taal sterk gestructureerd. Alles en iedereen werkt toe naar de standaard examens (bekend als JLPT: Japanese Language Proficiency Test) die een eenduidige maatstaf vormen voor het bepalen van het niveau dat de buitenlander bereikt heeft. Grammatica, woordenschat, kanji’s, alles is voor verschillende niveau’s (het zijn er tegenwoordig vijf, voorheen vier) voorgeschreven. En je ontkomt als leerling bijna niet aan de tests, want als je er zelf niet aan deelneemt krijg je wel oude tests voorgelegd door je school om te kijken hoe je het doet. Het zijn een soort zwemdiploma’s: in het begin is je doel ervoor te zorgen dat je jezelf drijvende kunt houden. Later moet je allerlei kunstjes kunnen vertonen, maar je gaat vanzelf proberen meer van die kunstjes onder de knie te krijgen. Wie A zegt, zegt daarna vanzelf B. En dan C, en…

Mijn doel is intussen nog steeds te leren, gewoon te leren. Niet om diploma’s aan de muur te kunnen hangen, dat is leuk voor jonge mensen, dat hoeft niet meer als je de vijftig gepasseerd bent. Waarom dan? Omdat ik het kan. Omdat het me bevalt. Omdat ik, wanneer ik vreemden ontmoet en daarmee in hun taal kan praten, een enorme kick krijg. Net zoals de kick tijdens onze fietstocht in Thailand toen ik borden die in het Thais verwezen naar motels kon volgen, en mensen de weg kon vragen, en een babbel kon maken. Heeft niets te maken met sociaal bezig zijn – dit gaat om ‘het kunnen’. Hm. Tja. Dat zal niet iedereen begrijpen. Ik begrijp het zelf niet altijd.

Dankbare achtergrond voor foto's

Goed, even wat anders. Umeboshi is een Japanse naam voor ingelegde Japanse vruchten die een standaard onderdeel van veel maaltijden vormen. De daarvoor gebruikte vrucht is de ume, vaak in het Engels vertaald als Japanese plum (dus pruim), al wordt ook gezegd dat de vrucht meer verwant is aan de abrikoos. Vergeet dat alles maar – noem het gewoon de ume. De vrucht, de boom en de bloesem hebben in Japanse tradities een belangrijke plaats gevonden.

Hij bloeit, de umeboom. Toen ik in het park rondliep en de bloesem zag dacht ik eerst dat de kersenbomen in verband met het plots ingevallen lenteweer onverwacht vroeg waren gaan bloeien, maar het bleken umebomen te zijn die, helemaal overeenkomstig het seizoen, al in februari in volle bloei stonden. Ze worden vereerd omdat ze al gaan bloeien terwijl verder alles nog gewoon wintertje speelt, en gewoon omdat de bloesem in schoonheid niet onderdoet voor die van de Japanse kers. Weliswaar zal de Japanse kers, wanneer die over een paar weken begint te bloeien, opnieuw voor grote opwinding in het land zorgen. Maar de ume bloeit nu, en de mensen stromen toe. Waarom bloeit de ume zo vroeg? Beetje vreemde vraag. Hij doet dat omdat hij anders is dan andere bomen. Omdat hij dat kan. Omdat hij zo is.

De bloesem van de ume doet in schoonheid niet onder voor die van de Japanse kers, maar pas als over een paar weken de kersenbomen in bloei staan begint de lente

Die talen, hè. Van Reinhold Messner is bekend dat hij de vraag: waarom beklim je bergen? beantwoordde met: omdat ze er zijn. Heb ik altijd een onbevredigend antwoord gevonden. Waarom leer ik talen? Waarom steek ik tijd en moeite in iets dat nergens voor nodig is, dat niet gaat leiden tot ‘kansen op de arbeidsmarkt’, dat geen hoger doel dient dan zichzelf? ‘Conquérant de l’inutile’, ik leer praten, lezen, schrijven, in talen die zo geweldig uiteenlopen: Spaans, Thais, Russisch, Japans, zonder er een duidelijk doel mee te hebben. Omdat ze er zijn? Nee. Omdat ik het kan. Omdat ik zo ben.