Gisteren (donderdag) weer eens les van iemand die altijd erg enthousiast erg onbegrijpelijke dingen vertelt. Iemand die één of twee keer in de week komt lesgeven en daarbij niet het standaard leerboek gebruikt maar zijn eigen programma samenstelt, en die dus geen idee heeft van wat we kunnen en wat we niet kunnen. Iemand waar ik altijd een beetje verdrietig van word. Vandaag staat er weer een les van hem op het programma. Vandaag neem ik vrij. Het heet toch niet voor niets vrijdag?

Lente, eindelijk

De eerste dag van deze maand is een echte lentedag, en dat mag ook wel eens. Het is lang genoeg koud geweest en de Japanse kers, die nu eindelijk begint te bloeien, is laat dit jaar.

Ik stap uit de metro bij het grootste park dat de stad heeft en ga op weg naar het kunstmuseum dat aan de andere kant ervan ligt. Het is druk in het park. Mensen laten honden uit die veel weg hebben van bonsais. Grote honden bestaan in dit land nauwelijks, ze nemen te veel plaats in, eten te veel, verliezen te veel haar, en schijten natuurlijk ook te veel. Draagbare soorten die bovendien in allerlei vormen geknipt kunnen worden zijn een stuk populairder.

Bij het museum komt een meisje van de brede buitentrap af rennen, een kleurige vlieger een paar meter achter en boven haar. Er is geen wind, de enige manier om te vliegeren is wat ze aan het doen is: rennen. Ze heeft een lach op haar gezicht. De kleuren van de vlieger vlammen op in het licht van de zon en steken prachtig af tegen de donkere, want in de schaduw liggende, muur van het museum. Voordat ik mijn camera heb kunnen pakken is ze al verdwenen. Maar het beeld van het vliegerende meisje is al opgeslagen bij andere foto’s die ik niet genomen heb.

Zoals: op de ochtend dat we Krabi uit fietsten. We kwamen langs een werkplaats waar drie mensen voor stonden: twee monniken die kennelijk bezig waren met hun ochtendronde en een werker die de monniken voedsel aanbood. De monniken zag ik van achteren, de werker stond gebogen tegenover hen, in een houding van nederigheid en respect. De foto die ik niet genomen heb was bijna kleurloos: de werkplaats, de werker, de straat, alles was een soort donkergrijs. De door de ochtendzon verlichte kleding van de monniken, een vaal maar warm saffraangeel, gaf als enige, ingetogen kleuraccent het tafereel iets gewijds.

zarusoba en garnituur

In het museum is een tentoonstelling die me maar nauwelijks kan boeien. Wat me wel boeit: op het menu van de museumcafetaria staat zarusoba, koude boekweitnoedels, en aangezien het tijd is voor de lunch en ik sinds ik in Japan ben nog geen soba heb gegeten staat de keuze al vast.

Op naar de vlakbij gelegen Japanse tuin. Als buitenlandse bezoeker kom ik in aanmerking voor korting op de entree, het kassameisje geeft me zelfs de coupon die ik daarvoor eigenlijk had moeten hebben en aan haar had moeten geven. Dat is nog eens wat anders dan b.v. China (en waar hebben we dat nog meer gezien?), waar buitenlanders standaard meer betalen dan de eigen bevolking. Ik ben schijnbaar de enige bezoeker van de tuin, totdat een aantal in kimono gehulde vrouwen en meisjes uit een gebouw naar buiten komen om van de zon te genieten. Ze zijn bezig met een ochakai (letterlijk: theebijeenkomst), en hebben de gebruiken zo serieus genomen dat ze zich ervoor in kimono gestoken hebben. Het is nu even pauze.

Even pauze tijdens de 'ochakai'

Door naar een Shinto-heiligdom, waar een jonge knul op een fiets me een vraag stelt die ik niet begrijp. Ik vertel hem dat, en hij vraagt dingen die ik wel begrijp: hoe lang ik in Japan ben, waar ik logeer, wat ik ben komen doen, waar ik vandaan kom.
‘Nederland?’ zegt hij, en zijn ogen gaan wat verder open. Even ben ik bang dat hij gaat beginnen over coffeeshops, maar dat kan niet waar zijn, daar is hij te jong voor. ‘Wie Nederland zegt, zegt voetbal, en Nederlands voetbal, dat is Sneijder’. Hoe oud zal-ie zijn? Een jaar of tien. Moet die eigenlijk niet ook op school zijn? Maar ja, wie ben ik om die vraag te stellen?

Een oase in de stad, compleet met kunstmatig op gang gehouden watervallen

En zo gaat de dag verder. Ik praat met een Fransman die informatie staat uit te delen over het kersenbloesemfestival dat dit jaar geen kersenbloesemfestival is:  in verband met de tragedie die zich afspeelt in het noordoosten van het land wordt het als ongepast gezien om geplande openluchtoptredens te laten doorgaan. Ook de traditionele ‘light-up’, de verlichting die de kersenbloesem ‘s avonds extra mooi doet uitkomen, gaat dit jaar niet door.

De staart is zo te zien gehavend door vele aanvallen door kraaien

En ik kijk lange tijd naar een zwarte wouw die in de buurt rondcirkelt. Hij wint wat hoogte in een zwakke termiekbel, steekt dan over naar een andere plek, op zoek naar iets eetbaars. Foutje: hij wordt in de lucht van achteren aangevallen door een kraai, die kennelijk een territorium te verdedigen heeft. De wouw draait rond zijn as op het moment dat hij aan zijn staart geraakt wordt maar verdedigt zich nauwelijks, wordt nog eens aangevallen, gaat rechts uit de flank. Om meteen door een andere kraai te worden aangevallen.  Hij draait om en keert terug naar waar hij vandaan gekomen was. Daar cirkelen intussen meeuwen bij een huis rond, dus daar zal wel wat te halen zijn. Een raam gaat open, een hand wordt uitgestoken, meeuwen komen langs en pakken wat ze pakken kunnen. De minder vermetelen wordt wat toegeworpen. Maar het blijft allemaal meeuwenwerk, een wouw doet zoiets niet. Hij pikt weer een termiekbel op en verdwijnt.

Het is een hele andere dag geworden dan de schooldag geweest zou zijn. Een dag van beelden, vooral. En zo is het goed.