Via de internetsites van Nederlandse kranten blijven we een beetje op de hoogte van wat er speelt in het vaderland. Dat het daarbij opvalt dat er daar opmerkelijke dingen gebeuren moet gedeeltelijk worden toegeschreven aan afstand en tijd: wat je lang niet gezien hebt valt op. En verder zijn het de media die vooral opvallende dingen laten zien; het alledaagse is geen nieuws.

Terwijl ik in Japan was bedacht ik dat de indruk die dat land maakt in het buitenland voor een onproportioneel groot deel leunt op karikaturen die in dat buitenland aandacht krijgen omdat ze zo buitensporig zijn. TV-spelshows waarbij deelnemers belachelijk gemaakt worden of op hun bek gaan. Metro’s waarin volwassen mannen openlijk erotische strips aan het lezen zijn. Voor zover ze dat nog kunnen, nadat ze de trein in gepropt zijn totdat die ècht vol is. Geloof me, dat zijn uit hun verband getrokken beelden.

Het verbaasde me dat Nederland zelfs in Japan al meer bekend was om zijn coffeeshops dan om de tulpen en windmolens waar we zelf zo graag over beginnen. Ik was trouwens blij dat het daarbij bleef, want in dezelfde tijd las ik ook dat Nederland een pedofielenvereniging heeft, en dat de voorzitter ervan, na te zijn aangehouden op verdenking van het bezitten van grote hoeveelheden kinderporno (die op zijn computer waren aangetroffen) besloot zijn ongenoegen over zijn arrestatie te uiten d.m.v. een hongerstaking. Even maar. Toen hij het zwaar kreeg was het afgelopen met de hongerstaking. Ik dacht toen nog: hoe moet ik ooit uitleggen dat zoiets in mijn land kan? In het Nederland van nu, waar ‘alles moet kunnen’ allang niet meer geldt? Een pedofielenvereniging? Hongerstaking om te protesteren tegen je arrestatie i.v.m. de kinderporno die op je computer is gevonden?? Dat nieuws was in Japan nog niet doorgedrongen, goddank, en ik heb het niet hoeven uitleggen.

Andere berichten volgden. Groepen vrijwilligers waren van plan in het Vondelpark mensen aan te spreken op hun gedrag, met name op de hoeveelheden afval die ze achterlieten. Tegelijkertijd stond er, heel serieus, een enquêtevraag op de site van de krant: bezoekers van het Vondelpark zijn verantwoordelijk voor hun eigen rommel (eens/oneens).

GroenLinks wil in Amsterdam vijftien ‘fietscoaches’ aanstellen die mensen erop moeten aanspreken als ze op plekken als b.v. het centraal station hun fiets parkeren waar dat niet mag. Deze ‘coaches’ moeten worden geworven onder kansarmen door de instelling Pantar, waarvan de naam volgens hun website is afgeleid van ‘Panta Rhei’ (o hemel…) en waar een medewerkster de opbeurende boodschap heeft: ‘Het allerleukst aan mijn werk vind ik het begeleiden van mensen naar een reguliere baan. Het gat dichten zodat mensen een reguliere baan krijgen. Daar gaat mijn vuurtje van branden.’

Fietsen of brommen op de stoep: 70 euro aan je broek! is de pakkende slogan waarmee de Amsterdamse stadsdelen gedurende enkele dagen fietsers en brommers gaan duidelijk maken dat ze, inderdaad, niet op de stoep mogen komen.

Het komt allemaal een beetje zielig over. Symptoombestrijding. Goed bedoeld hoor, dat natuurlijk wel. Als je mensen vaak genoeg aanspreekt op hun gedrag kun je met een generatie of twee wel verandering verwachten. Het roept vooral de vraag op: wat wil men bereiken? Moet iedere keer dat ergens iets wordt gesignaleerd dat wrijving oproept daar een projectje voor opgestart worden? Of gaat er zich uiteindelijk een gewenste samenlevingsvorm aftekenen? Wie bepaalt dat?

In Japan zouden deze berichten verwondering hebben opgewekt. In parken blijft geen afval liggen. Niet-reglementair geplaatste fietsen worden opgehaald door gemeentemedewerkers die ze moeiteloos kunnen inladen omdat ze weliswaar op slot staan, maar niet ‘vast aan de wereld’. Alle fietsers fietsen op de stoep om niet tussen het veel snellere autoverkeer te hoeven rijden. Toegegeven, ook dit is niet ideaal. Maar de combinatie fietsers – voetgangers wordt als veiliger beschouwd dan de combinatie fietsers – auto’s. In een land waar iemand aanrijden wordt gezien als een ernstige vorm van onbeleefdheid en dus alles gedaan wordt om dat te voorkomen is dat een belangrijk argument.

Ander land: Maleisië. Op het ogenblik ons thuisland. In veel het tegendeel van Japan. Anarchie, waar automobilisten in een volledig natuurlijke reflex het gaspedaal wat dieper intrappen wanneer ze een overstekende voetganger ontwaren en waar fietsers en brommers tussen het autoverkeer door laveren alsof ze onkwetsbaar zijn. Dit is ieder voor zich en niemand voor ons allen. De overheid zorgt intussen voor de belangrijke zaken: een recalcitrant politicus krijgt meerdere gefabriceerde processen wegens vermeende homoseksuele handelingen aan zijn broek, een spectaculaire moord waarbij keer op keer een lid van de regering betrokken lijkt wordt keer op keer onder het tapijt geveegd, en de pers blijft wat de pers hoort te zijn: een applausmachine voor de regering, en zeker geen bron van onrust. Dit land is een jungle. Hoe zou ik kunnen uitleggen dat in een Europese stad wordt voorgesteld werklozen meer kans op ‘doorstromen naar een reguliere baan’ (ja ja, panta rhei…) te geven door ze tegen ‘foutplaatsers’ te laten zeggen dat die hun fiets ergens anders moeten neerzetten? Dat fietsen op de stoep niet mag? Stoep? Welke stoep? In dit land van open riolen en een typisch tropisch laisser faire waar in de steden weliswaar huisvuil wordt opgehaald maar niettemin in de stegen achter de huizen nog van alles ligt na te ontbinden en waar tegelijkertijd niemand zich daarover opwindt – zou ik kunnen uitleggen dat er discussies bestaan over de verantwoordelijkheid van ieder ten opzichte van zijn afval?

Ieder huisje heeft zijn kruisje. Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Wij Nederlanders zijn altijd al dol op rijmpjes geweest. Hoewel, wij… ik niet zo. Maar: Fietsen of brommen op de stoep: 70 euro aan je broek? Hm. Ik weet het niet hoor, maar het gaat geloof ik niet zo goed met Nederland. Ach, en aan de andere kant: ieder land moddert aan op zijn eigen manier. Nederland zal nooit een Japan worden, en evenmin een Maleisië. Wat wil het eigenlijk wèl worden?