‘s Avonds is het geblaf niet van de lucht. ‘s Avonds, dat is bekend, trekken straathonden samen op. Overdag zijn ze vreemdzaam genoeg, overdag kijken ze de passerende mens vreesvol aan en schieten ze hooguit de verdediging in wanneer ze zich geprovoceerd voelen, bijvoorbeeld door iemand die, uit angst wellicht, in het voorbijgaan met een paraplu prikkende bewegingen naar ze maakt. ‘s Avonds wordt het een ander verhaal. De mens voelt zich minder op zijn gemak in het donker, maar de straathond is het donker gewend. In het donker worden verbanden gesloten, rekeningen vereffend, barrières genomen. ‘s Avonds wordt er geblaft – naar de mens.

We hebben, van waar we wonen, een goed zicht op een kolonie zwerfhonden. Ze ‘wonen’ op het terrein van een woningbouwvereniging, waar bouwmaterialen worden opgeslagen en waar bijna nooit iemand komt. Het terrein is omringd door een schutting waar de honden onderdoor kunnen kruipen en waarbinnen ze zich verder veilig weten.

Buurtbewoners, oudere Chinese vrouwen, komen dagelijks eten op straat neerleggen. Geen hondenbrokken van bekende merken waar de hond energie en gezondheid van krijgt, waar zijn vacht van gaat glimmen en waar hij zijn baasje dankbaar voor aankijkt, maar eerder wat is overgebleven van maaltijden: soppige hoeveelheden rijst waar nog wat resten vlees en groente in zitten. Restaurantafval waarschijnlijk. De straathond duikt er, na om zich heen gekeken te hebben om te zien of ‘het veilig is’, niet minder enthousiast op af.

Goed, dit is Maleisië. Honden zijn geen huisdieren, honden zijn onrijn, althans volgens de meest heersende van de in dit land heersende godsdiensten. Een bijna begrijpelijk standpunt: de hond, wanneer niet verzorgd door een liefhebbende baas, is niet in staat zichzelf schoon en gezond te houden, en nauwelijks in staat voor zijn eigen eten te zorgen. Een hond die aan zichzelf is overgeleverd is een schepsel dat zich de hele dag door aan het krabben is en steeds minder vacht overhoudt, bij het afval moet zoeken naar iets eetbaars, en zich desondanks verwoed blijft voortplanten. De hond is een creatie van de mens, een voorbeeld van genetische manipulatie avant la lettre. Geslaagd als huisdier, lief voor de kinderen, trouw, gehoorzaam. Geschikt voor nuttige zaken als wild opdrijven, geschoten vogels ophalen, kuddes schapen begeleiden, huizen bewaken, geschikt dus als hulp van de mens. Haal de mens weg uit het verhaal, en er blijft een armzalig schepsel over.

Een paar weken geleden kwamen we thuis en zagen we dat er tussen de grote, volwassen honden ook drie kleintjes rondliepen. Niet vaak: meestal werden ze door de moeder meegenomen naar een meer beschutte plaats, waar ze nauwelijks vandaan kwamen. Mettertijd kwamen ze meer naar buiten, werden ze door hun moeder nog wel uit de buurt van langs het terrein lopende mensen gehouden, maar leerden ze intussen wel eten van wat er ‘s morgens voor ze werd neergelegd. Ze liepen rond met hun grote, onhandige poten, buitelden over elkaar heen, verkenden langzaam meer van hun wereld.

Op een gegeven moment, terwijl we over de straat liepen, hoorden we een angstig gepiep. Eén van de pupjes was in een afwateringsgeul terecht gekomen en was nog te klein om er zelf uit te klimmen. Zodra Charlotte probeerde het te helpen vluchtte het weg.

Twee dagen later hoorden we een knal en een hoop gejank, en nog een knal en nog één. En geen gejank meer. Charlotte heeft dat al eerder gehoord en gezien: een knal en er wordt iets in een wagen gegooid, en de hondenpopulatie is daarna niet dezelfde.

Ook nu: we zagen de pupjes niet meer, hun moeder evenmin. De andere volwassen honden gingen door met hun leven. Eten werd neergelegd en opgegeten, niets was anders. Maar: drie knallen? Drie pupjes, en hun moeder? Dat klopt toch niet?

De grootste van de drie zagen we als eerste. In zijn eentje, druk bezig met de op straat liggende soppige rijst. De andere twee kleintjes kwamen we een dag later tegen in wat struikgewas in de buurt. Die zijn ook groot genoeg, die redden het wel.

De moeder hebben we sindsdien niet meer gezien.