Op Lembeh waren we al een paar keer langs een dorp gevaren waar vanaf het water duidelijk twee grote, in verschillende stijl gebouwde kerken te zien waren. Het dorp telde zo te zien nog geen tweehonderd inwoners, dus we vroegen aan onze gidsen waarom daar niet één, maar twee kerken stonden. ‘Eén protestant, de ander katholiek’, was het glimlachend gegeven antwoord, ‘en er zijn er nog twee, voor zevendedags-adventisten en…’ – de andere wisten ze niet meer. Hier waren kennelijk in lang voorbije tijden nog meer brengers van de blijde boodschap langsgekomen dan in Bunaken, dat immers (zie een paar weken geleden) verdeeld is in een protestants en een islamitisch deel.

We zouden het nog sterker gaan meemaken. In Batuputih, aan de rand van het Tangkoko natuurreservaat, raakten we tijdens een rondwandeling aan de praat met een joviale buurman, die toekeek terwijl dorpsgenoten aan het beitelen en snijden waren in een flink stuk hout waarin al een contrabas te herkennen was. ‘Je zult zien’, zei hij, ‘dat we hier erg van kerken houden. In dit dorp hebben we alleen al eenentwintig pinkstergemeente-kerken en verder twee protestante, een katholieke, en één voor islamieten.’ Eenentwintig pinkstergemeentes?? We zagen ze inderdaad, een enkele vervallen, veel andere nog in aanbouw. Sommige telden naar verluid niet meer dan een handvol leden. Het gebeurde nogal eens dat iemand het niet eens was met de dominee, en als je het niet eens bent met de dominee, dan kun je net zo goed je eigen kerk beginnen. Vandaar.

Wie een muziekinstrument wil maakt het zelf. Net als een huis, een boot...

Die contrabas, daar keken we van op. Op verschillende plaatsen hadden we gezien hoe Indonesiërs ‘s avonds bij elkaar komen om muziek te maken. Daar was altijd een gitaar bij – het lijkt alsof iedereen gitaar kan spelen. Daar was ook vaak een soort bas bij, van het soort: kist met een gat erin, stok die eruit omhoog steekt, en één snaar, waar met een stok op geslagen wordt terwijl de andere hand de toonhoogte regelt. Wat hier aan het ontstaan was had eerder de vorm van een echte contrabas, zij het dat deze niet meer dan twee snaren zou krijgen. De volgende avond zouden we het instrument bespeeld zien worden, samen met zelfgemaakte ukeleles en een gitaar, tijdens een feestje ter ere van tarsier-expert Myron Shekelle die met een cameraploeg de laatste hand legt aan opnames voor een serie documentaires. Over tarsiers, dus.

O ja, dat was één van de redenen waarvoor we naar Batuputih gekomen waren: de tarsiers. Oplettende lezers zullen zich herinneren dat we die een paar jaar geleden al in Bohol in de Filippijnen hebben gezien en gefotografeerd. Destijds werd er beweerd dat ze alleen daar voorkomen. Niet helemaal waar: ook in Kalimantan, Sumatra en Sulawesi zijn ze te vinden, al gaat het kennelijk om verschillende soorten.

Dr. Shekelle luisterde het feestje te zijner ere op met een aantal films, waarvan we leerden dat de vuistgrote tarsier, die door de gids met wie we de avond ervoor het bos in gegaan waren steevast ‘small monkey’ genoemd werd, in feite in de evolutie een plaats inneemt tussen de apen en de halfapen. De naar verhouding enorme ogen van dit nachtdiertje kunnen ze niet draaien; het dier draait zijn hoofd (bijna 180 graden naar beide kanten!) om rond te kijken.. De tarsier komt over als een sloom wezentje dat maar wat in zijn boom zit, totdat het etenstijd is: hij kan dan opeens zijn prooi (een soort krekel) bespringen vanaf zo’n grote afstand dat een mens, om verhoudingsgewijs hetzelfde te doen, een sprong van twintig meter zou moeten maken. Vanuit stilstand!

Maar goed, even terug naar de wandelingen met de gids in het bos, want dat kwam per slot van rekening eerst. We zijn twee keer het bos in gegaan: bij het vallen van de avond om de tarsiers te zien ontbijten, en zes uur lang de volgende ochtend om ander bosleven te vinden.

mjammie...

Tarsiers brengen hun leven door in één boom en zijn dus vrij gemakkelijk te vinden. En omdat iedereen weet dat je dieren kunt paaien door ze te eten te geven had onze gids een paar lekkere krekels uitgezocht en die de vleugels uitgetrokken, een kennelijk gangbare praktijk die ook door de wetenschapper en de filmploeg was gebruikt. Niettemin lagen de verhoudingen wat ongunstig toen we aankwamen bij de uitgekozen boom: er stond al een grote groep mensen, die de ene tarsier die op een enkele strategisch geplaatste krekel afkwam met zijn allen met flitslicht bombardeerden. Het dier trok zich terug, de groep keerde huiswaarts, en pas daarna kwamen er meer tarsiers interesse tonen in het lokaas. En kon ik ze met flitslicht bombarderen. Nou is een fototoestel niet in staat de fabelachtige sprong te laten uitkomen die een tarsier maakt om op de krekel te springen. En evenmin is op een stilstaand beeld te zien dat er niet meer dan een fractie van een seconde voor nodig is om de krekel te grijpen en terug naar de boom te springen. Dus mocht er ooit een tv-programma over tarsiers aangekondigd staan… zeker zien.

In het tegenlicht van de vroegeochtendzon

Op het programma van de ochtendwandeling stond: zwarte makaken, neushoornvogels, kuskus (een hoog in de bomen levend buideldier). De laatste twee lieten zich niet fotograferen, de apen daarentegen leken het doodnormaal te vinden dat we tussen ze rondliepen terwijl ze op de grond over elkaar heen buitelden. Af en toe raasden er een paar door de bomen, renden over takken, sprongen naar een volgende boom, lieten zich van hoog vallen om zich nog net vast te grijpen aan een daardoor ver doorbuigende tak, buitelden nog wat door als een tak waar al een aap op zat het begaf onder het gewicht van een tweede die erop sprong. Stelletje apen.

O, dit verhaal heeft geen eind. Zo maar plaatsen dan, want het volgende verhaal (over Tomohon) is ook al klaar.