(vandaag weer twee berichten tegelijk)

De dag begint te krieken om een uur of vijf. In Penang kunnen we af en toe, als we toevallig wakker zijn, rond dit tijdstip horen hoe in de verte wordt opgeroepen voor het mohammedaanse ochtendgebed. In Tomohon wordt de nieuwe dag begroet en aangemoedigd met geluiden die meer passen bij deze omgeving: om ons heen klinkt op wat in eerste instantie lijkt op Indonesische volksmuziek, maar waar dan een paar keer een bekend woord in doorklinkt. Halleluja. Het is een nabijgelegen kerk die op dit matineuze tijdstip de burger uit zijn sluimer haalt. Al is de kerk alleen maar de eerste, want de rest van de dag neemt de bevolking het over.

Ieder huisje heeft zijn... geluidsinstallatie, en iedere geluidsinstallatie heeft maar twee standen. Uit en vol open.

De gemeenschappelijke wekker doet zijn werk. Ook Charlotte is overeind gekomen, heeft iets gemompeld in de trant van ‘wat de …’, heeft de doppen uit haar oren gehaald om uit te vinden of het waar was, en zich neergelegd bij de slotsom. Maakt niet uit. We gaan vroeg slapen, we worden vroeg wakker.

Het is verrassend koel. Koud, zelfs. Tomohon ligt weliswaar niet ver van zee, niet ver van Manado, maar de ligging op een hoogvlakte aan de voet van de vulkaan Gunung Lokon heeft een duidelijke invloed op het weer. Wanneer de zon schijnt kan zich in de loop van de dag een flinke wolk vormen boven de vulkaan waaruit al of niet een bui valt. ‘s Nachts koelt het flink af en zijn we blij met de deken die ons is gegeven. En op minder zonnige dagen, zoals nu, worden de heuvels en de vulkaan aan het zicht onttrokken door een wolkendek dat nauwelijks boven ooghoogte lijkt te hangen.

Niet vandaag wordt de vulkaan beklommen. Ook niet morgen, trouwens. Er heeft zich een paar dagen geleden een kleine eruptie voorgedaan en de berg is voorlopig tot verboden gebied verklaard voor wie een kijkje op het kratermeer zou willen werpen. Ook niet erg, want ik heb nog blaren van de wandelingen in het natuurreservaat van Tangkoko en hoef me nu dus niet af te vragen of ik de beklimming al aankan. Heerlijk als je een lastige beslissing niet hoeft te nemen.

Bij de warmwaterbron

Met een gids die is gekomen voor Meta (met wie we van Batuputih naar Tomohon gekomen zijn en met wie we in Tomohon een paar dagen doorbrengen) worden de opties doorgenomen. Er is een kleine vulkaan in de buurt waar we op kunnen, zegt hij, maar het heeft weinig zin dat te doen zolang het zo bewolkt is. Misschien aan het eind van de dag, je weet nooit. Tot die tijd stelt hij voor o.a. de markt van Tomohon te bezoeken, een poosje in een warmwaterbron door te brengen en te eten aan het meer van Tondano. Klinkt goed, doen we.

Vleermuis. Hm.

Eerst dus naar de markt. Van de Minahasa (de bevolking van dit noordoostelijke deel van Sulawesi) wordt wel gezegd dat ze alles eten wat vier poten heeft, behalve de tafel en de stoelen. Haha. Nou, dat haha vergaat je wel als je op de markt rondloopt. Er worden vleermuizen aangeboden, en er liggen stukken slang – je moet dat van die vier poten niet heel letterlijk nemen. Maar dan klinkt vanuit een hoek van de markt het gejank van een bange hond. Er staat een kooi met vier honden. Eén ervan wordt met de nodige moeite uit de kooi gehaald om vervolgens met een paar slagen op het hoofd doodgeknuppeld te worden. De Minahasa eten hond, ja. Niet hun eigen huisdieren, natuurlijk. Dit zijn straathonden, zo te zien. De drie overgebleven honden zitten met de staart tussen de benen te doen alsof ze er niet zijn. Het zal ze niet baten.

Wanneer we aan het eind van de dag een biertje drinken met de gids hebben we een drukke dag achter de rug en wordt het voorval van de markt niet eens meer ter sprake gebracht. We hebben lang in de warmwaterbron gezeten, gegrilde vis gegeten met uitstekende sambal, en vanaf de krater van een gedoofde vulkaan de zon zien ondergaan achter de nog actieve vulkaan. Om een paar van de noemenswaardige momenten te noemen.

Gunung Lokon gezien vanaf de krater van Gunung Mahawu

Waar we het wel over hebben is de bijzondere samenstelling van de bevolking van dit kleine stukje Indonesië, en de belangrijke rol die het in Nederlands Indië heeft gespeeld. Jotje Lala (‘spreek Jotje op zijn Nederlands uit, het is een verkleinvorm van Jo’ – en Jo moet natuurlijk een verkorting zijn van Johan of Johanis, namen die we al zijn tegengekomen) vertelt over zijn pogingen Nederlands te leren, om de geschiedenis levend te houden. Van zijn grootouders heeft hij, net als zijn (en onze) leeftijdsgenoten, wel wat meegekregen, maar niet genoeg om te converseren. Woorden als oom, tante, oma, opa worden nog gebruikt. Vakansi, netjes, verdomme kennen de meesten ook nog wel. De woorden die een taal overneemt van een andere kunnen zowel iets zeggen over de cultuur die ze nodig heeft als over die, die ze al gebruikte. We hebben het ook over Sinterklaas (Jotje: ‘Santa Klaus, en Piet’) die ergens begin december komt en de kinderen kadootjes geeft. En over voornamen die we kennen van vroeger maar die bij ons allang zijn vervangen door moderner (of juist traditioneler) klinkende namen.

Het is opmerkelijk dat er ook nu nog mensen zijn in dit deel van de wereld voor wie de koloniale tijd een bron is van nostalgie. En dat zelfs mensen die de koloniale tijd niet zelf hebben meegemaakt hier blijk van geven. Ondanks het bloedvergieten waarmee het ontstaan van Indonesië gepaard ging. Maar laat ik er niet teveel achter zoeken. Wat je als kind meemaakt, wat je van de grootouders meekrijgt, dat blijft deel van je, ook als die kindertijd allang voorbij is. Zo moet de gehechtheid aan flarden geschiedenis en overgebleven gebruiken verklaard worden. Nostalgie naar wat is geweest maar wat nooit meer terugkomt. Heimwee, niet naar Nederland, maar naar het verleden.

Dat verleden is voor de Minahasa trouwens nog veel gecompliceerder. Zo zegt bijvoorbeeld Charlotte op een gegeven moment tegen mij: is het je opgevallen dat hier veel mensen met Chinese trekken rondlopen? We vragen onze gastheer erover, en hij zegt: ja, zoals mijn vrouw, hè? Maar dat zijn geen Chinese trekken, maar Mongoolse. Veel Minahasa stammen af van Mongolen die ooit naar Sulawesi zijn gekomen. Dat het Mongoolse rijk zich over grote delen van Azië heeft uitgestrekt weten we natuurlijk, maar hoe is een nomadisch volk ertoe gekomen de steppe te verruilen voor tropische wateren?

‘Netjes’, ‘verdomme’ en Sinterklaas. Bijna evenveel kerken per inwoner als in Nederland fietsen per inwoner. Vleermuis eten, en slang, en hond. Mongools bloed, en Nederlandse herinneringen. Een taal die in niets lijkt op Indonesisch. Een landschap waar altijd wel ergens een vulkaan de horizon doorbreekt. Waar rijst verbouwd wordt, maar ook aardappels, wortels en kool. Het is een fascinerend stukje Indonesië.

De Minahasa-bouwstijl is bekend en geliefd. Hier een straat waar tientallen modelwoningen staan opgelijnd. Ze kunnen als bouwpakket worden opgestuurd naar waar je maar wilt.