Waarschuwing: niet iedereen zal onberoerd blijven bij het zien van de onderstaande foto’s.

Er zijn een hoop dingen waarin Indonesië achterloopt op, bijvoorbeeld, Nederland. Op veel plaatsen worden sigarettenpakjes, snoepzakjes, plastic bekertjes nog gewoon op straat gegooid. Mannen roken, allemaal, onophoudelijk, ook al weten wij al heel lang dat dat niet goed voor je is. Autogordels worden alleen even omgedaan en bromfietshelmen worden alleen even opgezet als er een politiecontrole is. En maar weinigen schijnen in de gaten te hebben dat je om gelukkig te zijn spullen nodig hebt: een beetje knappe auto, een iPad2, kleren die je een paar keer draagt en die dan uit de mode zijn.

Tijdens een begrafenisceremonie wordt Charlotte geïnterviewd door een televisieploeg. Vlak daarna heeft ze nog een onderonsje met de minister van weet ik veel, die met een heel gevolg is overgekomen uit Jakarta.

We zijn in het gebied van de Toraja, bewoners van een streek in Zuid-Sulawesi die door de eeuwen heen een cultuur in stand hebben gehouden waarvan wordt gezegd dat de dood er een centrale plaats inneemt. Nederlandse missionarissen probeerden lange tijd tevergeefs deze mensen ervan te overtuigen dat ze hun heidense gebruiken beter konden afzweren, totdat sociologen en antropologen met het inzicht kwamen dat de Heer waarschijnlijk geaccepteerd zou worden als Hij werd geïntroduceerd als aanvulling op, niet vervanging van, de vereerde voorouders. Aldus geschiedde: het christendom is intussen algemeen geaccepteerd als ‘bij-geloof’, voor zover het niet in botsing komt met de eigen tradities.

Een beetje buffel kost meer dan een auto

Dit gebied is waarschijnlijk één van de meest welvarende van Sulawesi, misschien zelfs van Indonesië. Dat is niet af te zien aan auto’s, iPads of modieuze kleding. Dat is te zien aan het feit dat niemand ooit honger heeft. Het is ook te zien aan de bedragen die worden uitgegeven aan begrafenissen. Want in begrafenissen worden honderduizenden gestoken, een enkele keer zelfs miljoenen. Dit zijn bedragen die zijn omgerekend in euro’s; in rupiah moet je er vier nullen bijtellen.

Het zit ongeveer zo. Om je overleden vader of moeder op een nette manier naar de volgende wereld te helpen (waar zij die hen voorgingen al op ze wachten) moeten er offers gebracht worden. Zonen en dochters kopen ieder één of meer buffels die tijdens de ceremonie rond de begrafenis worden geslacht, en die buffels kosten gemakkelijk zoveel als een nieuwe auto. Het vlees is onder andere bedoeld om de gasten te voeden, maar die gasten brengen zelf ook wat mee: varkens en buffels. Op heel officiële wijze wordt bijgehouden wat iedereen meebrengt, zodat het gebaar geretourneerd kan worden: van de buffels wordt bijvoorbeeld de lengte van de horens gemeten en opgeschreven, zodat bij een volgende gelegenheid een even grote buffel kan worden teruggegeven. Kan iemand tijdens zijn leven niet aan die verwachting voldoen, dan is dat geen probleem, want dan kunnen de kinderen dat wel, of anders de kleinkinderen.

Terwijl de gasten worden vermaakt met tradionele dansen kunnen de varkens die ze hebben meegebracht alleen maar wachten op wat gaat komen.

Dat lijkt op een vreselijke schuld die wordt opgebouwd, en dat is het ook wel een beetje. Maar er zit een keerzijde aan. Om te beginnen worden er geen uitnodigingen gestuurd voor begrafenissen. In plaats daarvan wordt verwacht dat iedereen die nog een ‘schuld’ heeft uitstaan komt opdagen, en dat die, om zijn status te laten zien, zo veel mogelijk mensen meeneemt. Op die manier worden begrafenissen, waarvan de plechtigheden in totaal tien dagen kunnen duren, bijeenkomsten waarbij de getroffen familie zich nooit alleen zal voelen. Bovendien is er op het eind natuurlijk veel meer vlees voorhanden dan in één keer opgegeten kan worden, dus dat vlees wordt verdeeld over de hele omgeving. En ten slotte brengen de verwachte offers met zich mee dat iedereen weet dat hij moet werken, en sparen, om ze te kunnen opbrengen. En ook dat wat hem overkomt, goed en slecht, gedeeld wordt. Niet alleen een verplichting, maar ook een verzekering.

Er zitten meer aspecten aan, er zijn nog heel wat rituelen waar iets over te vertellen zou zijn, maar dat voert te ver. Zonder in te gaan op de details van de ceremonie of het geloof van de Toraja, kan ik dit zeggen: wat me het meest getroffen heeft is niet de aandacht die de dood en het begeleiden van de dode hebben, maar het belang dat dit alles heeft voor de levenden. Dit is een samenleving waarin op een harmonieuze manier wordt omgegaan met dood en leven, hebben en niet hebben, rechten en plichten. Wat wordt gedaan voor de doden heeft een diepe invloed op het dagelijks leven. Iedere begrafenis versterkt de banden tussen leden van de gemeenschap die elkaar misschien niet vaak zien maar die op deze manier weten dat ze niet alleen zijn, dat voor- en tegenspoed worden gedeeld.

Dit zou natuurlijk ondenkbaar zijn in, bijvoorbeeld, Nederland. Om hiermee te leven moet je erin zijn opgegroeid. Dat zijn wij niet. Het is een manier om een samenleving in te richten die werkt onder een aantal voorwaarden: dat iedereen blijft meedoen bijvoorbeeld. Er zijn nogal wat Toraja die ver van de geboortegronden zijn gaan wonen, daar veel geld verdienen en met dat geld zorgen voor de continuïteit van de voorouderlijke gebruiken. Dat zo het voortbestaan van de tradities van een besloten gemeenschap afhankelijk wordt van hen die zich erbuiten vestigen brengt ongetwijfeld gevaren mee, maar voorlopig werkt het: ook zij die ver van hun geboortegronden wonen doen mee en keren terug wanneer een familielid wordt begraven.

Op het plein dat wordt omringd door het huis en de rijstschuren van de familie van de overledene wordt bijgehouden wat iedere gast meebrengt en wordt ermee gedaan wat de traditie voorschrijft.

Eén aspect nog, omdat ik er foto’s van heb en omdat het nogal spectaculair was. Er zouden buffelgevechten gehouden worden om de gasten te vermaken. We gingen met gemengde gevoelens kijken, voorbereid op bloedige taferelen. Ten onrechte. Het bleek een tamelijk onschuldig vermaak te zijn. Twee buffels, stieren natuurlijk, werden bij elkaar gezet en losgelaten. Wanneer ze dachten tegen elkaar opgewassen te zijn gingen de koppen tegen elkaar en gingen de hoeven in de modder. Op een gegeven moment gaf één van de twee het op en zette het op een lopen, achtervolgd door de winnaar. Spectaculair werd het op het moment dat de twee de verhoogde grond waar wij op stonden te kijken wisten te bereiken. We zagen honderden kilo’s radeloosheid met horens zigzaggend tussen de mensen door rennen en wisten dat de plek waar we ons veilig hadden gewaand dat niet meer was. Terwijl onze gids ons toeriep vooral niet te gaan rennen, was rennen het enige wat om ons heen gebeurde. Wat konden we doen? Rennen? Niet rennen? Rennen.

Het liep goed af. Toen we over de eerste schrik heen waren konden we zien dat de dieren, die immers altijd hadden gewerkt met en voor mensen, inderdaad wie stilstond probeerden te vermijden, dat het gevaar vooral schuilde in vallen in het gedrang en dan vertrapt worden. De dieren liepen zichzelf vast in een greppel en werden gekalmeerd en weggevoerd. Geld werd uitbetaald aan wie op de winnaar had ingezet en het volgende gevecht kon beginnen.

Mannetjes... altijd maar vechten.

Hoeven in de modder en duwen.

Zodra er één zich gewonnen geeft begint het rennen en wordt het lastig de dieren te kalmeren.