Het bruidsmeisje kijkt serieus, zoals het hoort.

Tijdens ons verblijf op het eiland Hoga in zuidoost-Sulawesi kregen we de kans een moslim-bruiloft op het nabij gelegen eiland Kaledupa mee te maken. Een kans die we graag aannamen.

We naderden te voet het huis waar gehuwd ging worden, niet goed wetend hoe we onszelf konden introduceren, maar de vader van de bruidegom had ons al zien aankomen en zwaaide van: kom, kom verder! We werden zonder verdere plichtplegingen mee naar binnen genomen, de in zijn kamer wachtende, feestelijk geklede bruidegom werd voor ons tevoorschijn gehaald, foto’s werden gemaakt, en toen begon al het ritueel.

De bruidegom nam plaats voor een aantal mannen, één daarvan zijn vader. Vrouwen waren er wel, maar niet hier: ze zaten op de grond in de keuken. De bruidegom zat en wachtte. Achter zijn rug werden wat formaliteiten vervuld, geld werd overhandigd en geteld, en toen dat gebeurd was kon de bruid worden gehaald vanuit de kamer waar ze geheel opgemaakt op bed had zitten wachten. Getweeën zaten ze voor iemand die waarschijnlijk iets van de huwelijkse verplichtingen voorlas, zo van eeuwige trouw en zo, en voor het uitleggen van eeuwige trouw moet je de tijd nemen. We bleven totdat het ons leek dat we lang genoeg hadden meegedaan in wat een belangrijk moment moest zijn van twee mensen die we niet kenden. We bedankten en vertrokken. Later hoorden we dat de families het jammer hadden gevonden dat we waren weggegaan voordat we iets hadden kunnen eten…

De bruid wacht geduldig op bed totdat ze gehaald wordt.

Nog even wat financiële zaken regelen...

... en dan kan er getrouwd worden.

Na een dag of elf in dit gebied waar je gemakkelijk de tel van de dagen kunt kwijtraken werd het tijd weer eens een kijkje te nemen achter de horizon. Eerst naar Wanci, de hoofdstad van de eilanden, het dorp dat ons op de heenweg in het ochtendlicht zo had toegelachen.

De ene dag die we in Wanci doorbrachten was niet helemaal wat we ervan gedacht hadden. We kwamen er ‘s morgens iets na zevenen aan met de boot die dagelijks bij het eerste daglicht uit Kaledupa vertrekt en nadat we een andere boot die in de ondiepe wateren was vastgelopen waren gepasseerd. We namen onze intrek in een hotel en gingen op zoek naar een ontbijt. Maar intussen was de ramadan begonnen, en in tegenstelling tot andere plaatsen in Sulawesi waar we tot nu toe waren geweest is Wanci geheel islamitisch. Geen ontbijt. Geen eten, de rest van de dag. Een wat moeilijk te slikken boodschap wanneer je hongerig om zeven uur ‘s morgens ergens aankomt. Winkeltjes bleken wel koekjes, chips en frisdrank te verkopen. Rommel, met één goeie eigenschap: het vult de magen van de ongelovigen. Voor het moreel kon het niet veel doen.

Aan het eind van een dag waarop we geen enkele behoefte hadden iets buitendedeurs te doen en we ons gelukkig prezen met het grote aantal films dat we op onze harde schijven hadden staan gingen we op zoek naar wat de enige echte maaltijd van de dag moest worden. Niet meteen om zes uur wanneer net de zon onder is, het zal wel druk zijn, nee, beter een uurtje later. Het eerste restaurant waar we langsgingen was dicht. Het tweede was leeg, maar ten minste open. We kregen de tijd om de menukaart te bestuderen, en toen we klaar waren om te bestellen probeerden we te weten te komen wat ‘mie goreng Wakatobi’ was. Dat lukte niet zo best, als antwoord kregen we te horen dat er mie goreng was, en nasi goreng, maar zover waren we zelf ook al gekomen. Nou doe dit dan maar, en dat. Het meisje schudde haar hoofd en zei iets wat we niet begrepen. Nog eens vragen. Langzaam begonnen wat bekende woorden door te dringen in wat ze zei. De tukang masak was in de masjid. De kok was in de moskee. Dus er is geen eten? Inderdaad, er is geen eten. De kok is in de moskee. Eén van mijn oogleden begon te trillen.

In het derde restaurant kwamen we binnen op het moment dat de laatste gasten vertrokken, om kwart over zeven. Net op tijd om nog wat te krijgen van de nasi padang die nog klaar stond. We aten wat en gingen snel terug naar het hotel, filmpje, slapen. Om half drie ‘s ochtends werden we allebei wakker doordat uit alle moskeeën allerlei gezeur in het Arabisch begon op te klinken. Het teken voor de gelovigen, zoals we later zouden begrijpen, dat ze beter nu vast konden beginnen met eten, voordat het licht werd. Dat hield pas op nadat ook de oproep voor het ochtendgebed was geweest en de zon boven de horizon stond. Tegen die tijd kon er natuurlijk niet meer gegeten worden. We waren blij deze plaats te verlaten, met het vliegtuig van half twaalf naar Makassar.

Makassar, waar niet zo fanatiek geramadand werd. Want al zagen de restaurants eruit alsof ze gesloten waren, erbinnen, aan het oog van de buitenwereld onttrokken, konden niet-moslims overdag doen wat aan moslims verboden was: eten.

En vanuit Makassar ging het na een paar dagen verder naar Kuala Lumpur en Penang. Penang waar de ramadan een bijverschijnsel is, iets wat sommige mensen doen, een curiositeit waar de meesten geen boodschap aan hebben.

En Penang ook, waar de wegen niet bezaaid zijn met kuilen. Waar weer internet is. Waar de ziekenhuizen zijn waar Indonesiërs die het kunnen betalen naartoe gaan. Waar wijn weliswaar duur is, maar verkrijgbaar. Waar we niet voortdurend op straat gehellomisterd worden. Waar we weer anoniem zijn. En waar we nog eens rustig kunnen terugdenken aan twee maanden tussen stralend lachende, ongedwongen, zelfverzekerde, gastvrije mensen.