Een foto die ik nog had liggen van twee meisjes in het orang asli - dorp

We zullen misschien een uur gereden hebben nadat we Kuala Terengganu hadden verlaten, toen het begon te regenen met het soort regen waarvan je niet zeker kunt weten of het vlak daarna alweer ophoudt, of dat het doorgaat en erger wordt. We stapten af om ergens teh tarik te drinken en keken daarbij uit over het eiland Kapas, dat op enkele kilometers van ons vandaan buiten het regengebied leek te liggen.

‘Daar wil ik toch ook nog eens heen’, zei Charlotte. Dat zeggen we wel vaker tegen elkaar: daar wil ik ook eens heen. Vaak gebeurt het vlak daarna ook.

‘Waarom niet nu?’ vroeg ik. We waren helemaal niet van plan geweest de eilanden aan de oostkust aan te doen, maar nu dit eiland toch voor ons lag, waarom niet? De regen stopte.

Een half uur later voeren we uit met één van de dagelijkse boten naar Kapas.

Portret van trouwe tweewieler, met op de achtergrond de Perhentian eilanden

Er waren een paar dagen verstreken sinds het vorige verslag. We hadden een dag in Kota Bharu doorgebracht, in een hotel aan de rand van de Chinese wijk, wat goed uitkwam omdat in de Chinese wijk van alles gebeurt wat Allah verboden heeft, en die verboden in het noordoosten van Maleisië serieuzer genomen worden dan in de rest van het land. Wie bier wil drinken of varkensvlees wil eten komt automatisch uit in de Chinese wijk, die in Kota Bharu bestaat uit één straat. Daar doet niemand moeilijk over, ook de moslims begrijpen best dat hier aan een behoefte voldaan wordt.

Vanuit Kota Bharu bereik je ‘s morgens eenvoudig de kust door naar de zon toe te rijden, en kusten zijn zowel plezierig om langs te rijden als gemakkelijk te volgen. We kunnen het water aan onze linkerhand houden en dan vanzelf in Penang uitkomen, en dat is ook ongeveer wat we van plan zijn.

Hoog in de kruin van een kokospalm zoekt een afgerichte aap voor zijn baas rijpe kokosnoten uit, draait ze los en laat ze vallen.

Deze manier van navigeren voerde ons over weggetjes die niet breder waren dan een auto en waar we dus bijna geen auto’s tegenkwamen. Het was één van de mooiste stukken die we tot nog toe gereden hadden. Bij lang geleden geschilderde houten woningen scharrelden kippen, speelden kinderen en bekeken ouderen welwillend de wereld vanaf hun veranda. Waar geen woningen stonden konden we ons in een paradijs wanen waarvan wij de enige bezoekers waren, een paradijs met bomen en zon en vogels en mooie, geasfalteerde paden waarover geen verkeer reed.

Charlotte wordt achtervolgd door een geit, een dier dat we in Penang niet zien maar in de meer islamitische delen van het land een waar huis-, tuin- en keukendier is.

Kuala Besut kenden we eigenlijk alleen als doorgangsplaats: het is het dorp van waar de boot naar de Perhentian eilanden vertrekt. We waren hier al meerdere malen voorbijgekomen (voor het laatst met Charlotte’s vriendin Lineke een paar weken geleden), maar geslapen hadden we er nog nooit. Mede daardoor was het ons niet eerder opgevallen dat een behoorlijk aantal van de huizen zijn omgebouwd tot zwaluwen-farms. Lopend door de straten werd onze aandacht links en rechts getrokken door de geluiden die gierzwaluwen naar binnen moeten lokken om er van speeksel hun veel geroemde nesten te bouwen, die nadat ze hun rol hebben gespeeld als babykamer voor een nieuwe generatie gierzwaluwtjes voor veel geld verdwijnen in Chinese soeppannen. Het is een lucratieve business, die sinds een paar jaar in Maleisië enorm in opkomst is.

Op het platteland komen we veel van deze merkwaardig uitziende gebouwen tegen. Dit is een zwaluwenfarm, speciaal gebouwd om de eetbare nesten van gierzwaluwen te kunnen oogsten. Meestal drie of vier verdiepingen hoog en ontworpen om temperatuur, vochtigheid en lichtomstandigheden van een grot na te bootsen. Bovenin is een opening te zien waardoor de vogels naar binnen kunnen.

Kuala Terengganu, bereikt via een meestal nogal drukke weg waarvoor geen alternatief bestond, bleek ook alweer te kunnen bogen op een uit één straat bestaande Chinese wijk, die zelfs op borden staat aangegeven als trekpleister en schilderachtiger is dan die van Kota Bharu.

En toen liepen we opeens met onze fietstassen in de hand over de stranden van Kapas en vonden we onderdak bij een sympathieke Amsterdammer die naar eigen zeggen het ‘Nederland van de Albert Heijn, Goede Tijden Slechte Tijden en de Linda’ had verruild voor dit tropische eiland waar het leven hem beter beviel. We brachten een paar dagen door met zwemmen in zee, ‘Kolonisten van Catan’ spelen tot in de vroege ochtenduren, lange gesprekken voeren en helpen met het bouwen van een ons Nederlanders waardige zeewering van zandzakken die het hoge water dat onvermijdelijk met de noordoostmoesson gaat komen buiten het restaurant moeten gaan houden.

In riviermondingen groeien nipa-palmen, waarvan soms door de stroming losgetrokken groepjes de zee op drijven. Ze kunnen dan, zoals hier, zomaar op het strand van een eiland als Kapas aanspoelen.

Dat die moesson eraan zit te komen is één van de zekerheden die zelfs door de veranderende weerpatronen waar we steeds en overal over horen praten nog niet is onderuit gehaald. Eerst komen de overstromingen in Midden-Thailand, daarna sluiten één voor één de resorts op eilanden als Koh Tao, Koh Phangan en Koh Samui (voor korte tijd) en Perhentian en Redang (voor wat langer) de deuren en de luiken. Ook op Kapas is bijna alles al dicht, en nadat we vanochtend onder een druilregen waren overgestoken naar het vasteland (er was voor gewaarschuwd dat er niet regelmatig meer gevaren zou worden) moest eerst degene die ons de boottickets had verkocht worden gebeld, opdat zijn kantoor kon worden geopend en wij onze daar achtergelaten fietsen naar buiten konden rijden. Eerst nog maar een dag in Marang blijven, morgen verder kijken. Want er is nog iets waar we rustig van uit kunnen gaan: in de moessontijd regent het meer dan anders, maar echt niet elke dag.