Het dorp van de bajau ligt deels tussen de resorts waar van heinde en verre (vooral van verre) mensen komen om te duiken. Klik op de foto om hem groter te zien.

Deel van de foto hierboven

Ik kan er niet goed hoogte van krijgen. We zien mensen waarvan we weten dat hun ouders uit de Filippijnen deze kant op zijn komen drijven en die wonen op plaatsen waarvan we weten dat ze er zo uit gegooid kunnen worden omdat ze domweg illegaal zijn. Maar ze worden wel getolereerd, en ze blijven er wonen, zij het in hutjes die in twee dagen worden gebouwd met ‘les moyens du bord’ (palen die in het zand geslagen worden, planken die worden hergebruikt of nieuw gehouwen en die als bodem dienen, palmtakken die, wanneer over elkaar gelegd, enige beschutting bieden tegen de soms heftige regen) en die ongetwijfeld niet lang meegaan. Komt er een goeie storm, ligt alles plat. Begin je opnieuw te bouwen, twee dagen lang, heb je weer een huis. Sommigen wonen op boten die vlak voor het strand liggen en waarop het wemelt van de naakte kinderen die, om zich te ontlasten, op de rand van de boot hurken en de zwaartekracht zijn werk laten doen.

Dit is een stukje Filippijnen, een vooruitgeschoven stuk van het land dat tot voor tamelijk kort een aanspraak liet gelden op het oostelijk deel van Sabah maar door het internationaal gerechtshof in het ongelijk werd gesteld. Neemt niet weg dat het dichtstbijzijnde Filippijnse eiland net achter de horizon ligt en dat er in dit deel van Maleisië vreselijk veel Filippino’s zijn, al zijn ze van het drijvende soort en hebben ze – natuurlijk, hoe kom je op het idee – geen paspoort. Ze gaan niet naar school, ze hebben er geen recht op. Ze hebben er geen behoefte aan. Moeten ze je op school leren hoe je vissen moet vangen?

Tot zover lijkt het nog redelijk overzichtelijk. Maar dan blijkt dat er in het bajaudorp ook mensen wonen die recent uit de Filippijnen zijn overgekomen, die goed Engels spreken en die werk hebben gevonden in de duikresorts. Er wonen wat westerlingen, die op het eiland zijn komen werken als duikgids en een huurhut hebben gevonden. En verderop gaat het dorp er welvarender uitzien, zijn er winkeltjes, huizen die duidelijk steviger gebouwd zijn, sportvelden, en dan duidelijke tekenen dat er ook Maleiërs wonen in hetzelfde dorp: vrouwelijke hoofden getooid met een kleurrijke hoofddoek, mannelijke hoofden waarop de kopiah prijkt, een moskee. En natuurlijk de zichtbaar grotere rijkdom, dankzij de regering in Kuala Lumpur. Hoewel, nee, rijkdom niet. Eerder gebrek aan zorgen. Houten woningen die niet al beginnen om te vallen wanneer ze klaar zijn, kleding, elke dag eten, dat soort dingen.

Het kan gebeuren dat we lunchen op een verderop gelegen eiland en dat er kano’s langskomen met van die donkere, tanige lijven erin, die dan stoppen. Een gebaar van: eten, hebben jullie eten? En natuurlijk hebben we dat, en vertrekken ze met eten.

Ik begrijp het niet zo goed. Er zijn er die het duidelijk goed doen, en er zijn er die thuis lijken te horen in een andere wereld.

Misschien leren we het ooit nog wel eens begrijpen.

Ze hoefden niet eens gevraagd te worden - ze vroegen me een foto te nemen.