Amsterdam, een paar weken geleden. Een tram waarvan de deuren net voor me dicht gingen kon nog niet gaan rijden omdat het licht nog niet op ‘gaan’ stond. Ik ging dus bij de voorste ingang staan met de verwachting te mogen instappen. De bestuurder keek niet op of om en reed de tram een meter vooruit. En kon nog steeds niet verder omdat het licht nog steeds op ‘nee hoor, nog niet’ stond. Ik liep dezelfde meter verder en stond weer bij de ingang. De bestuurder keek nog steeds strak voor zich uit. Ik mompelde een verwensing, draaide me om, en liep het complete traject dat ik met de tram had willen rijden.

Een paar dagen later troffen we een trambestuurderin die een dagtaak had met het geven van opdrachten aan de passagiers. Er waren mensen ingestapt via de middendeur, daar waar soms een kaartjesverkoper zit maar waar diens hok nu onbemand was, en ze waren bij die deur blijven staan. ‘Wok on in de trem’, galmde haar stem door de tram, maar de mensen aan wie dit gericht was begrepen het niet of wilden het niet begrijpen. Ze probeerde het in het Nederlands: ‘doorlopen, houdt u de ingang vrij’, en toen dat niet werkte, een paar keer: ‘kiep de entrens frie, d’r kom piepel in’. Ze zette de tram stil tussen twee haltes om zich op het omroepen te kunnen concentreren: ‘waarom doet u niet wat ik vraag? hee joe, joe dèr, wok on in de trem’, maar het resultaat bleef hardnekkig niet voldoen aan haar verwachtingen. Ik dacht aan de grote aantallen Italianen die we in de stad hadden horen rondlopen en van wie velen geen Engels spreken, laat staan steenkolenengels. Al horen buitenlanders natuurlijk te begrijpen wat je van ze wilt als je ‘wok on in de trem’ omroept. Het wachten is op een verplichte inburgeringscursus voor buitenlanders die een paar dagen in Nederland willen doorbrengen. Ik zweer het je, dat zit eraan te komen.

Den Haag, ook een paar weken geleden. Voor mij een zo goed als onbekende stad. Bekende onderdelen waaraan je meteen ziet dat je in Nederland bent, dat wel, maar die onderdelen bij elkaar gebracht op een manier die de na een lang verblijf in verre oorden teruggekeerde Nederlander in verwarring brengt. De straten komen me bekend voor, maar de weg ken ik niet. Hoe vertrouwd alles er ook uitziet, het is tegelijkertijd allemaal vreemd. Herkenning en ontheemding in één.

We stapten in een tram die ongeveer de goeie kant op ging. De bestuurder kon ons misschien vertellen hoe we het beste bij de Maleisische ambassade konden komen waar de handtekening die bij Buitenlandse Zaken op onze internationale trouwakte was gezet moest worden geverifieerd.

Ook hier vertrouwde elementen, terwijl toch alles anders was. Het was een tram, onmiskenbaar, zij het in andere kleuren dan het wit-blauw van Amsterdam. Er zaten passagiers in, gekleed op een winter die niet goed wilde winteren. Voorin zat, kaarsrecht, een grijze heer in grijs-blauw uniform. Hij dacht even na over de vraag die hem gesteld werd. ‘U kunt het beste over twee haltes uitstappen en om de hoek overstappen op een andere tram. Ik zal u laten zien hoe u moet lopen om daar te komen’. Ik bedankte de man, verrast door zoveel hulpvaardigheid. Zijn antwoord trof me met het volle gewicht van een voorbij gewaande tijd. Had ik het kunnen zien aankomen? Ik weet het nog steeds niet.

‘Tot uw dienst’, zei hij.