We hadden ons geloof ik nog niet helemaal gerealiseerd hoe bijzonder de procedure is die Charlotte’s knie weer van kraakbeen moet voorzien. Nog maar een jaar geleden publiceerde Dr. Saw de resultaten van een proef met vijf patiënten, nadat hij was begonnen met experimenten met stamcellen in de gewrichten. En hij noemde weliswaar een collega die hij heeft opgeleid en die zich in Penang heeft gevestigd, maar voor zover ik kan nagaan is er wereldwijd verder niemand die met stamcellen werkt om kraakbeen te laten aangroeien. En toch zijn de voordelen enorm vergeleden bij andere methodes om versleten knieën weer te laten werken: minimale ingreep, volledig herstel, relatief korte revalidatieperiode.

Sinds haar operatie wordt Charlotte dagelijks bezig gehouden met een paar uur fysiotherapie. De stamcellen die uit haar heup ‘geoogst’ zijn (het woord doet me altijd onwillekeurig huiveren, sinds Kazuo Ishiguro’s ‘Never let me go’) worden eens per week in haar knie geïnjecteerd, waar ze zich hechten in de gaten die daarin geboord zijn. Doordat de knie elke dag urenlang in beweging wordt gehouden ‘begrijpen’ de stamcellen hun taak: hier moet geen bot komen, maar kraakbeen. (O, dat had ik in het vorige stuk ook al gezegd, zie ik. Hier dus nog eens, dan is het ècht duidelijk 😉 ) En aldus geschiedt. Nog een week of drie, dan kan de fysio worden afgebouwd; het lijkt erop dat we dat afbouwen in Penang gaan doen.

In de tussentijd zijn we tijdelijk thuis in Desa Sri Hartamas, een buitenwijk van Kuala Lumpur die niet ver van de kliniek ligt en waar de bewoners van de net iets verderop gelegen luxeappartementenwijk Mont Kiara komen eten en drinken. Om ons heen zijn binnen de afstand die Charlotte met haar krukken kan afleggen uiteenlopende restaurants en bars, waar we een bekende verschijning zijn geworden.

Om de hoek is een nasi kandar restaurant waar de eerste keer dat we er kwamen ontbijten al het personeel quasi-achteloos een andere kant op bleef kijken, in een reactie die we vaker in Maleisië hebben meegemaakt wanneer we ergens kwamen waar niemand Engels sprak. Buitenlanders met wie je niet kunt praten en die misschien vragen gaan stellen in de trant van: wat is…? kun je beter negeren, is kennelijk de heersende gedachte, in de hoop waarschijnlijk dat die buitenlanders de verlegenheid die ze oproepen zelf wegnemen door weg te gaan. Intussen is dat overwonnen, en het helpt dat we allang geleerd hebben hoe je tosai, roti canai, poori, nasi lemak en teh tarik bestelt.

‘s Middags komen we vaak bij een Japanner terecht, of een Chinees of Taiwanees, terwijl de twintig of zo Koreaanse restaurants meer voor ‘s avonds geschikt zijn, met hun gemarineerde vlees voor de barbecue en de vele, vele bijgerechten (waaronder uiteraard de onvermijdelijke kimchi) die de tafel vullen. In de kroeg hoeven we al niet meer te bestellen – ze weten al wat we drinken. En ook elders groeten we en worden we begroet. Het is een compacte wijk, en Charlotte’s krukken werken beter dan een hond of een kinderwagen (twee fenomenen trouwens die we hier niet tegenkomen…) voor het aanknopen van een gesprek. ‘Wat is er gebeurd’ en ‘wat kost het’ zijn vragen die vooral in het begin dagelijks moesten worden beantwoord.

En zo verlopen de dagen. In een tijd waarin we hadden gedacht nog steeds aan het skiën te zijn. Och, sommige deuren gaan dicht, en andere open. Zo gaat dat.