De aardtonen van de woestijn. De witten van besneeuwde bergen en taiga’s. Het vlammende geel van een lariksbos in de herfst, of de explosie van roden en gelen van een indian summer. In Maleisië zul je het niet vinden. Maleisië is groen.

Dat is natuurlijk een open deur, maar een tocht langs een aantal bij bezoekers geliefde delen van het land maakt zowel de immensiteit als de nuances duidelijk van deze schijnbaar eenvoudige waarheid: het land is groen.

Er is nog, zoals in het met fijn gevoel voor zakelijkheid naamgegeven natuurreservaat Taman Negara (letterlijk: staatspark), oerbos waarin iedere boom een ecosysteem is, een wereldje op zich waaraan andere planten en dieren zich ophijsen of waarin ze neerstrijken, waar ze een thuis vinden en voedsel, en waar ze op hun beurt aan bijdragen. Het groen van het oerbos is donker; zo hard wordt er om het laatste beetje licht gevochten dat er weinig van doordringt tot waar de sprakeloos om zich heen kijkende, in deze omgeving nietige mens loopt.

Van dat oerbos staat niet veel meer overeind. Wat ervoor in de plaats gekomen is is van een lichter en ordelijker groen: palmplantages bedekken uitgestrekte delen van het land. De olie die deze palmen opleveren is één van de belangrijkste exportproducten van Maleisië en de gratis toewijzing van door de overheid ontgonnen land aan Maleise boeren heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het terugdringen van de armoede onder dat deel van de bevolking.

Hogerop, op 1500 tot 2000 meter hoogte in de Cameron Highlands, zijn nog bemoste bossen te vinden, waar door tannine roodachtig getinte bladeren en grijze schimmels de grillige vormen van de bomen een nog feeërieker aanzicht geven. Maar ook deze hebben grotendeels plaats gemaakt voor wat de mens beter uitkwam: groente die in een tropisch klimaat niet gedijt wordt er geteelt, en helling na helling is beplant met thee. In tegenlicht gezien werpen met thee begroeide hellingen miljoenen schitteringen van zich af, terwijl ze, van opzij door de zon beschenen, opgloeien met het soort heldergroen waarvan je niet anders kunt dan in verrukking raken.

En dan zijn er nog de rijstvelden. Hier en daar. Niet veel, maar van het allermooiste groen dat er is.

O ja, eigenlijk wilde ik alleen wat foto’s van de afgelopen dagen laten zien, omdat er verder niet zo heel veel te vertellen is. Hier dus de foto’s.

Taman Negara: even vlamt een boot op in een oase van licht.

Nieuwerwetse manier van thee ‘plukken’: door twee man wordt een soort heggenschaar over de planten getrokken, terwijl een bladblazer de hierdoor afgesneden theeblaadjes in de zak erachter blaast.

Zakken vol net geplukte theeblaadjes worden naar boven gedragen en naar de fabriek gebracht voor verdere verwerking.

 
Twee foto’s van bekerplanten. De beker is een verlengstuk van een blad en heeft een deksel waar voedsel aan zit voor vliegende insecten. Ze komen erop af, eten ervan, worden high en vallen in de beker. Daar wacht onderin een vloeistof op ze die o.a. enzymen bevat waardoor ze verteerd worden… Mooi hè, de natuur.

Ach ja, een vlinder… ik vond hem wel aardig.