In Tanjung Tokong, waar we eerst woonden, was ik eens op goed geluk bij een Koreaanse kapper binnengelopen. Tot dan had ik altijd ergens, waar dan ook, bij een willekeurige plaatselijke knipzaak mijn haar laten bijwerken, met weinig verwachtingen en steeds met verwondering over hoeveel er gedaan werd voor heel weinig geld.

De Koreaan bleek duurder: hij vroeg maar liefst acht euro, maar was daar dan ook ruim een uur met veel toewijding voor bezig. Je zou denken: wie gaat er nou naar een Koreaanse kapper? Want als je naar een Noord-Koreaanse kapper gaat krijg je zoiets:

Noord-Koreaans kapsel

En een Zuid-Koreaanse kapper doet dit soort dingen:

Zuid-Koreaanse kapsels.

Maar mijn Koreaanse kapper deed goed werk, was grondig en attent en schudde  na afloop hartelijk mijn hand. Sindsdien kwam ik er steeds terug. Wie zou zoiets niet op prijs stellen? Ook Charlotte ging er heen, en bleef er heen gaan.

Dus… gisteren ging ik er opnieuw naartoe, ook al wonen we er intussen wat verder vandaan. En jammer, dinsdag bleek de enige dag in de week te zijn dat hij gesloten is. De lezer vraagt zich misschien af: had ik dan geen afspraak? Want bij Nederlandse kappers word je met welwillende maar vragende blik aangekeken, toch?, als je zonder afspraak binnen komt lopen, want druk druk druk, en zo. Je komt dan kennelijk een afspraak maken: voor volgende week misschien? Dat is niet omdat er zo veel geknipt wordt of omdat er zo weinig kappers zijn; het is eerder, denk ik, omdat niemand meer iets kan doen zonder agenda. Nee, in Azië werkt dat anders. Je kunt zo binnenlopen, al moet je dat wel tijdens openingstijden doen. Zondag, prima. Maandag, prima. Maar op dinsdag is deze dicht.

Wat nu? Een andere keer terugkomen was een optie, maar ik kon ook bij de kapper ernaast langs gaan, want die was wel open. Nou, dat dan maar. Hier geen Koreanen maar Chinezen, van die types die kennelijk net van het stopcontact waren losgetrokken: zijkanten opgeschoren, in het midden recht overeind staand haar. Mmm. Moet kunnen.

Blij werd me er uitgelegd dat ze drie prijzen hadden: acht euro, tien euro en twaalf euro. Wat wilde ik? Eh… Konden ze misschien ook uitleggen wat er voor die prijzen gedaan werd? Ja hoor, dat kwam overeen met director, stylist en junior stylist. Aha. Eh… enne, dus? Met het eindeloze geduld dat de Aziaat kenmerkt werd me verder uitgelegd dat de director’s cut (een uitdrukking die elders in een heel andere context gebruikt wordt) in Maleisië overeenkomt met een door de eigenaar van de kapperszaak zelf uitgevoerde knipbeurt, Figaro zelf dus, en anders krijg je een personeelslid of een leerling die aan je haar gaat plukken. Nou, eh, doe dan maar de middelste prijs. Geen Figaro, geen leerling, gewoon, een kapper.

De kapper was een kapster. Ze kwam, nam me even kritisch op, vroeg toen wat de bedoeling was. Ik legde uit. Ze keek nog even. ‘In het midden omhoog?’ vroeg ze, zonder duidelijke reden. ‘Nee, we gaan niets omhoog doen’, zei ik. ‘Oké, dus hier wat korter, en hier wat langer laten?’ Ja, dat leek er wel op.

Ze nam een tondeuse ter hand en begon. Het was al te laat. Zonder waarschuwing had ze in één keer de golvende manen weggeschoren die in de buurt van mijn oren gezeten hadden. ‘Ja, hier kort, en aan de achterkant langer’, zei ze in reactie op mijn opeens wijd opengesperde ogen, en de indruk ontstond dat ze een matje ging maken. Dit kon toch niet waar zijn. Intelligente mensen en matjes, dat gaat niet samen. Maar ik kon alleen nog maar ondergaan. Niet óndergaan, dat niet, maar ondergáán. In de handen van iemand die je haar knipt kun je alleen maar ondergáán.

Afijn. Toen ze na een hele serie dubieuze handelingen begon te föhnen en dus kennelijk de laatste hand aan haar meesterwerk aan het leggen was had ze iets gecreëerd dat van voren gezien misschien kon doen denken aan George Orwell. Niet aan iets wat hij geschreven heeft, maar aan de foto’s die van hem bekend zijn.

Tegen de tijd dat ze klaar was met föhnen en ik mijn ogen open durfde doen, zag ik tot mijn ontzetting Adolf Hitler vanuit de spiegel naar mij kijken. Twee dingen vielen daarbij op. Ten eerste had hij zijn snor afgeschoren. Ten tweede zat hij met ontzette blik naar mij te kijken, alsof ik de engerd was.

Langzaam schudde ik het hoofd. De kapster keek me vragend aan, maar ze had al begrepen dat ik niet tevreden was. ‘Toch maar in het midden omhoog doen?’, vroeg ze hoopvol.

Het duurde even voordat ze zeker wist dat mijn antwoord geen grapje was, en toen ging ze opnieuw, met nauwelijks verholen tegenzin, aan het werk. Het duurde maar een paar minuten, toen had de tondeuse ook de rest van mijn hoofd gemillimeterd. Ik betaalde en vertrok, en de kapster en ik waren geen van beiden erg blij.

“Groeit wel weer aan” zeggen ze dan, hè?