Natuurlijk heb je een rijbewijs nodig om legaal een auto te besturen in, bijvoorbeeld, Maleisië of Thailand. En natuurlijk wordt er door westerlingen lacherig gedaan over die papiertjes die je in diezelfde landen zo zou kunnen kopen en die dus niets voorstellen. Ik heb dat altijd voor verhaaltjes gehouden, van het soort die gemakkelijk in expat-kringen kunnen ontstaan tijdens een borrel en dan hardnekkig blijven circuleren. Flauwe gemeenplaatsen waar ik niet in wilde geloven.

Wie online zoekt naar de vereisten voor een Maleisisch rijbewijs komt voor verrassingen te staan: het is een lang traject dat de aspirant-autobestuurder moet afleggen, met verschillende theoretische en praktische examens. En toch zien we in Maleisië bijna geen lesauto’s rondrijden. Hoe kan dat?

Ze zijn anders gemakkelijk genoeg te herkennen. Perodua Kancil, een soort plaatselijk geproduceerde goggomobil, met een ‘L’ achterop. Dat is één. Belangrijker nog: vanuit een kennelijke zorg voor de veiligheid wordt er niet hard mee gereden. In de stad dertig kilometer per uur, op de snelweg zestig. Je kunt ze dus niet missen: ze rijden altijd vlak vóór een opstopping. Dan valt het des te meer op dat je ze eigenlijk heel weinig ziet.

Een andere reden om te twijfelen aan de strenge handhaving van de rijvaardigheidsvereisten: we hebben genoeg tijd gehad om sprakeloos te kijken naar wat automobilisten zoal uithalen. Inparkeren, bijvoorbeeld. Probeert men meestal vóóruit. Wat natuurlijk niet lukt, zodat de pogingen op een gegeven moment worden opgegeven en een andere parkeerplaats wordt gezocht. Maar ook wie probeert achteruit in te parkeren eindigt meestal op een goeie meter van de stoeprand, ondanks tientallen keren steken. Het is echt heel erg komisch.

Minder komisch wordt het als zich fietsers en voetgangers onder het verkeer gaan begeven. Je zou denken dat die zwakke verkeersdeelnemers onderaan de rangorde staan. Dat is een misverstand. Fietsers en voetgangers bestaan helemaal niet. In de stad kun je zo van de sokken gereden worden door iemand die je voorbij rijdt en meteen afslaat, voor je langs en, als je niet inhoudt, over je heen. Wie als voetganger probeert een drukke weg te kruisen moet een combinatie toepassen van rennen en midden op de weg tussen de langsscheurende auto’s wachten. Auto’s en brommers worden bestuurd met een combinatie van duizelingwekkende onkunde en bloedstollende zorgeloosheid. Een en ander heeft ertoe geleid dat ik al helemaal niet meer durf te fietsen in Maleisië. De fietser is niet van deze tijd, de fietser heeft niets te zoeken tussen het gemotoriseerde verkeer.

Dan is Thailand al een stuk rustiger. Minder heethoofden, meer zorg voor de zwakkere. Er zijn uitzonderingen. Vorig jaar kwam een ongeluk in het nieuws waarbij een Laotiaans meisje in tweeën gereden werd door iemand die een Porsche geleend had. Een paar weken geleden reed een jonge knul met de Ferrari van zijn vader midden in Bangkok een politieman het hiernamaals in. Een blog van twee wereldfietsers dat we een tijd lang volgden hield abrupt op toen één van hen door een Thaise automobilist werd doodgereden. En tijdens de rijkelijk met alcohol besproeide feestdagen wordt traditioneel een telling gehouden van het aantal verkeersdoden, en wordt blij geconstateerd dat het totaal één procent (namelijk één dode) lager uitkomt dan vorig jaar.

Maar wanneer ik de straten van Patong oversteek zie ik hoe iedereen rekening met elkaar houdt, hoe auto’s zowaar inhouden voor voetgangers. En proef ik weer even de sfeer van dit Thailand waar honden niet blaffen en niet bijten, waar van alles getolereerd wordt, waar iets in de lucht lijkt te hangen waar iedereen vredig van wordt, waar… (zachte vioolmuziek).

Vandaag, op school, vertelde me een lerares hoe ze aan haar rijbewijs gekomen is. Ze had les genomen. Ze deed rijexamen. Recht vooruit ging wel. Recht achteruit ging ook nog wel. Maar toen ze moest slalommen reed ze tegen de paaltjes aan. Dat betekende dat ze gezakt was. En toen waren er twee dingen mogelijk: ofwel opnieuw les gaan nemen en opnieuw zoiets moeilijks en onvoorspelbaars als een rijexamen gaan doen, ofwel…

Het was de tweede mogelijkheid geworden. Wie niet kan rijden moet met geld over de brug komen. Was het duur geweest? Vijfhonderd baht, zei ze. Twaalf, dertien euro. Een hoop geld, ja. Maar dan heb je wèl wat. Een heus rijbewijs, afgegeven door een bevoegde ambtenaar.